Column

Perfecte boom

Soms denk ik dat wetenschap één lange worsteling is met een aaneenrijging van concessies. Welke wetenschapper kan met droge ogen beweren dat hij precies het onderwerp onderzoekt dat hem ’s nachts nog steeds vol vuur achter zijn computer of in haar lab houdt? En wie vecht niet dagelijks met al die andere noden en zorgen, van beleidsmatige tot familiale, die de onderzoeker afhouden van zijn diepste wetenschappelijke hartstocht?

De laatste weken schrik ik voortdurend wakker van een groeiende frustratie over mijn boek dat maar niet afkomt. Er komen steeds weer zaken bij: een advies voor de gemeente, een student die nog zo graag wil afstuderen; kinderen die meer aandacht nodig hebben. Een vriendin wier baby al bijna kan lopen – en ik heb nog steeds het rompertje liggen. En ik moet die archiefstapels nog doorploeteren. Maar ik weet niet wanneer ik dat moet doen. En vooral wat ik dan NIET moet doen. Maar dat Boek moet af!

Dus: hoeveel concessies zijn we als wetenschapper bereid te doen? En als je geen concessies doet, wat gebeurt er dan? Volgt dan de Nobelprijs, of beland je in de goot? Voor geesteswetenschappers is die Nobelprijs trouwens sowieso geen optie.

Karl Jaspers schreef ooit een boek, Die massgebende Menschen (1964), waarin hij portretten schetste van Jezus, Socrates, Boeddha en Confucius. Jaspers’ vatte hun nalatenschap samen onder het kopje ‘axiaal denken’. We zouden daar Lao Tse ook nog aan toe kunnen voegen. Dat waren grote geesten, die nog grotere gedachten nalieten, maar zelf niets tot nauwelijks iets opschreven. En als ze iets zeiden of opschreven, blonken ze uit in de kunst van het weglaten. Volgens Jaspers beheersten vooral de denkers in de gordel van China, via India, tot Perzië (Zarathustra) en Griekenland die techniek.

Neem nu de moderne wetenschapper. Die rekent, en wordt afgerekend, in meters gevulde papier. Statistieken van articles, papers, en peer-reviewed journals, H-indexen: dat telt. Dit debat wil ik hier nu niet herhalen. Het gaat me hier om het doen van concessies. Doen we mee aan die ratrace of gunnen we onszelf en onze medewerkers tijd van nadenken, van puzzelen, afbreken en opnieuw beginnen? Of telt slechts de geleverde output in deliverables? Van ECTS en studie-uren?

Jonge collega’s, en ikzelf, wikken en wegen dagelijks. Besteed ik nu wat meer tijd aan mijn college en afstudeerstudenten, of bereid ik me voor op een aanvraag? En doe ik bij het opstellen van die aanvraag concessies aan de valorisatie en maatschappelijke relevantie, of blijf ik zuiver op de graat? Neem ik die extra scripties van mijn overspannen collega erbij, of ga ik voor de ERC grant?

In de kunst is het misschien makkelijker. Een kunstenaar die op het scherpst van de snede moet opereren, die voortdurend onder de schaduw van het zwaard van Damocles werkt, levert kwaliteit van de hoogste plank. Toen Stalin stierf, zo wordt gezegd, werd de intensiteit van Sjostakovitsj’s werk minder. Een wetenschapper onder druk draait door, pleegt zelfplagiaat of erger. En ik ken – anders dan in de wereld van de musici en kunstenaars – weinig wetenschappers die het universitaire bedrijf uit eigen vrije wil de rug toekeren. Ze zijn er uiteraard wel, maar dan willen ze vaak ook geen wetenschapper meer zijn, maar journalist, of vormgever, of consultant. Terwijl er behoorlijk wat muziekensembles en pianisten zijn die zonder subsidie leven en rond weten te komen.

C.S. Lewis schreef ooit een prachtige parabel over een schilder die zijn hele leven trachtte de perfecte boom te schilderen. Maar voortdurend namen andere beslommeringen hem in bezit. En aan het einde van zijn leven had hij slechts één perfect blad geschilderd. Wie schetst zijn verbazing, toen de schilder in het hiernamaals zijn ogen opende, en de boom alsnog voor zich zag. Hij was allang voltooid, en stond op hem te wachten.

Toch denk ik: wetenschappers zijn geen 19e-eeuwse kunstenaars en sprookjes bestaan niet. Het zijn geen eenzame genieën die liever creperen dan in te leveren op hun genialiteit. Concessies, daar gaat het om. Concessies zijn de olie van het wetenschapsbedrijf. Natuurlijk is wetenschap geen topsport. Het gaat niet om de eenzame sprinter die de laatste meters uit zijn eigen tenen trekt. Een topwetenschapper kun je hoogstens vergelijken met een peloton wielrenners; die helpen elkaar en in elkaars zog houd je het vol; tot er op een gegeven moment één ontsnapt. Maar ook dat is onzeker. Dus vanzelfsprekend doe je die extra scriptie erbij. En het scherpt de geest om je onderzoek te vertalen in maatschappelijke activiteiten, industriële uitvindingen of medische patenten. En je vrienden en familie zijn nodig om je te troosten als je wéér achter het net van die aanvraag grijpt. Dus koester ze.

Maar het is wel een kunst; dat tegemoetkomen aan eisen en wensen van anderen, van andere aard, zonder de kwaliteit uit het oog te verliezen, zonder überhaupt je eigen doel uit het oog te verliezen.

Eén perfect blad heb ik. Maar ik weet nog steeds niet hoe ik ooit mijn boek afkrijg.

Beatrice Graaf is hoogleraar Geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht