Recensie

Magische machines en theaterwonderen in ‘Lek’ van muziektheatergezelschap BOT

Met één weekend te gaan van Oerol kan worden vastgesteld dat de editie van 2017 kwalitatief goed maar ook wisselvallig was: memorabele uitschieters naast stevige missers en een brede middengroep. Grootste gemis waren voorstellingen die op een spannende manier de locaties op Terschelling benutten. Te vaak was de natuur niet meer dan fascinerend, toevallig decor. Enkele reprises van voorstellingen waarin de duinen organisch onderdeel waren van het werk konden dat euvel niet verhelpen.

A seat at the table van Saman Amini en Likeminds was groots, Nhung Dam maakte indruk met Ha ha Happiness 2.0. en Thabi Mooi bood in Route Mortel knap perspectieven op de dood bij een boswandeling. Daarmee – en dat moet nog altijd gezegd – maakten theatermakers met een ‘diverse’ achtergrond op Oerol de dienst uit.

Muziektheatergezelschap Bot gold na eerdere Oerol-successen als de groep waar iedereen kaartjes voor wilde. Hun nieuwe voorstelling Lek maakt die status waar. In een schuur waar het maximaal geurt naar boerderij etaleert het kwartet muzikanten een groot gevoel voor grote effecten. Kenmerkend voor hun stijl is dat ze niet zomaar op bekkens slaan, maar liever zes van die bekkens achter elkaar op de grond gooien. Dat klinkt anders en het ziet er theatraler uit.

Onder witte lakens komen zelfgemaakte muziekmachines tevoorschijn. Elk lied duikt er een op: een machinaal bespeelde cello, een zelf lopend looprek, een soort typemachine en een drum op een vuilemmer. Het is een pandemonium, vernuftig en creatief in elkaar geknutseld, dat een verwachtingsvolle sfeer van magische machines en theaterwonderen oproept.

Al die tikjes en knallen zorgen voor een stevige, ritmische bodem, waaroverheen piano en blaasinstrumenten worden gevlijd. Gevoegd bij de met rauw-hese stem gezongen onheilszwangere teksten van zanger Job van Gorkum ontstaat een onstuimige variant van nederblues. „Zand erover, zand erover, over mij”, zingt hij. Lek is een geoliede muziekshow, die helaas na drie kwartier al weer voorbij is.

Onder het Melkwoud wordt op een stuk duinheide opgevoerd door Afslag Eindhoven. Dit hoorspel van dichter Dylan Thomas uit 1957 is meer vloeiende poëzie dan theater, maar regisseur Yvonne van Beukering probeert er leven in te krijgen door de combinatie van vertellers, gespeelde scènes en wat muziek. Dat lukt deels, door de energieke speelwijze.

In Onder het Melkwoud vertelt Thomas in bloemrijke taal over de verlangens en liefdes van een stoet bewoners van een havenstadje. De nacht is ‘zeezwart’, het is stil ‘als de dood’ en de zee ‘ligt, likt en luilakt’. De zeeman zegt tegen een vrouw: ‘Laat me schipbreuk lijden tussen je dijen.’ In de vertaling van Hugo Claus weet Thomas even vaak met zijn weelderige beelden te bekoren als af te stoten door zelfverliefde zinnen en in roomboter gebakken metaforen.

De acteurs weren zich kranig, maar krijgen niet voortdurend de juiste melodie en het gepaste ritme in de zinnen. Soms is het zoeken en razen ze op goed geluk door. Dat de taal onvoldoende swingt en piept maakt dat deze voorstelling toch een wat statisch geval blijft.

Bijzonder is Guilty Landscape #2 van Dries Verhoeven. De schok die Verhoeven de kijker bezorgt (het is een installatie voor één bezoeker tegelijk) is groot en de naweeën zijn dat ook. De term ‘schuldig landschap’ is gemunt door Armando en zijn methode doet denken aan een videowerk van Rashid Rana op de Biënnale van Venetië in 2015, maar Verhoeven geeft er een hoogstpersoonlijke draai aan.

Bij Kopland van Gouden Haas & PeerGroup draait alles om poëzie. Er is geen plot, wel mime. Zinnen, regels en gedichten van dichter Rutger Kopland (1934-2012) worden gedeclameerd, herhaald en geëchood. Dat leidt tot een melancholieke voorstelling over het verstrijken van de tijd, over het houvast van de herinnering en over de dood.

De gedichten draag je mee zolang de voorstelling duurt en dat is een aangename verpozing. Met uitzondering van één regel die blijft haken, omdat de twee makers hem als een reclamebord oprichten in het gras. Je kunt hem lezen: ‘Niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik.’ Met gevoel voor het belang van kleine zaken brengen de theatermakers die komma na ‘jij’ aan.