Wie gaat er nog op de bonnefooi op vakantie?

Reizen Waar is de avontuurlijke reiziger, nu alles te plannen is? Hij survivalt op een eiland. Of neemt de brommer naar Iran.

Foto Terry Vreeburg

In 1969 trok mijn vader zes weken lang op de bonnefooi door Noorwegen. Een tent had hij niet bij zich. Overdag liftte hij mee met welwillende Noren, ’s avonds bezocht hij met hen de plaatselijke kroegen. ’s Nachts sliep hij in een slaapzak onder de sterren, ’s ochtends werd hij wakker met een gezicht vol muggenbulten.

In 1973 trok mijn moeder met drie vrienden en twee tenten in een Mini naar Joegoslavië, zonder uitgestippeld plan. Ter plekke reisde ze in haar eentje verder, om met een vlot af te zakken naar de kust. ’s Avonds werd ze lastiggevallen door opdringerige mannen, ’s nachts sliep ze in een bosje naast de kerk.

In 1976 leerden mijn ouders elkaar kennen, in 1981 trouwden ze. Hun huwelijksreis: eind september wildkamperen in Schotland, langs de West Highland Way. Op de boot ontdekten ze dat ze vrijwel al hun geld vergeten waren – vier weken lang leefden ze praktisch op water en brood.

Inmiddels zijn mijn ouders 66 en 70 en komt de tent nauwelijks nog van zolder; jaar in jaar uit gaan ze op vakantie naar hun huisje in de Spaanse bergen. Mooi weer, comfortabele bedden. Weinig verrassingen.

Mijn ouders hebben hun leeftijd als excuus. Maar in deze tijd van internet en smartphones is op de bonnefooi vakantie vieren voor veel mensen minder zelfsprekend geworden. Elke excursie, elke overnachtingsplek kan van tevoren worden geboekt. Bestaat de avonturier nog wel?

Nederlanders plannen hun vakantie inderdaad steeds meer, zegt directeur Kees van der Most van NBTC-NIPO Research. Deze marktonderzoeksorganisatie volgt sinds 2002 het vakantiegedrag van Nederlanders via het Continu VakantieOnderzoek. „Mensen stippelen online routes uit en boeken van tevoren alle overnachtingen. Ook kijken ze uitgebreid naar reviews. Het spontane gaat er dus echt af.” Mensen vinden comfort op vakantie steeds belangrijker, zegt hij. „En dat gaat misschien ook ten koste van het avontuur.” Hij ziet ook dat het aantal reizen naar verre bestemmingen groeit: Bali, Thailand, Aruba. „Vaak zijn het luxevakanties waarbij mensen vooral op het strand liggen te luieren.”

Er zijn natuurlijk wel avontuurlijke bestemmingen met spannende bezigheden, maar vaak is alles wel voorgekookt. Zo bieden reisorganisaties activiteiten als sneeuwscooter rijden, raften, vulkanen beklimmen, zwemmen met haaien. En er zijn complete vakanties met een survival- of wildernisthema te boeken: van noorderlichtlanglauftochten tot ‘bushcraftweekenden’. Er bestaan ook speciale mannenreizen, waarin de deelnemers hun masculiniteit botvieren door hout te hakken en vuurtjes te stoken.

Kraskaart met je bestemming

Hoe adrenalinerijk die avonturenreizen ook zijn, het echte ‘Into the Wild’-gevoel is het niet. De gidsen leiden alles in goede banen en in principe weet je van dag tot dag waar je aan toe bent.

Maar er zijn ook reizen te vinden voor mensen die verrast willen worden. „Ik weet niet waar ik heenga, maar ik ben onderweg”, zei de achttiende-eeuwse Franse filosoof Voltaire en er zijn reisbureaus die daarop inspelen. „Omarm het avontuur: de mooiste reis plan je niet, die overkomt je…”, heeft het Nederlandse reisbureau Srprs.me in grote letters op de website staan. Het werkt zo: je kiest een thema (van ‘backpacking’ tot ‘city tripping en ‘road tripping’), een datum, een tijdsduur en een budget en het reisbureau regelt een verrassingsreis voor je.

Een week voor vertrek krijg je het weerbericht van de plaats van bestemming, zodat je ongeveer weet wat voor spullen je moet pakken. Vervolgens ontvang je een paar dagen voor vertrek een kraskaart. De grootste avonturiers krassen het vakje met hun bestemming pas open op het vliegveld.

Het goedkoopste thema, ‘Broke’, is er vanaf 135 euro, voor drie, vier of vijf dagen.

Wie op eigen houtje het avontuur tegemoet wil, heeft misschien nog wel het meeste geluk met de combinatie veel tijd en weinig geld. Veel tijd geeft je de ruimte om je reis door het toeval te laten beïnvloeden en weinig geld zorgt ervoor dat je een beroep moet doen op je creativiteit.

Leeftijd en baan spelen ook een rol: studenten, leerkrachten en mensen met een vrij beroep kunnen in de zomer makkelijker zes weken weg dan mensen die van hun baas maximaal tien vakantiedagen per keer mogen opnemen.

‘Je verandert in een primitief wezen als je honger hebt’

Foto Jeroen Harteveld

Jeroen Harteveld (29) verbleef in 2016 met drie vrienden tien dagen op een onbewoond eiland bij Indonesië.

„We hadden naar Cast Away gekeken, waarin Tom Hanks op een eiland moet overleven. En we waren benieuwd hoeveel stadse jongens, opgegroeid met Discovery Channel en het tv-programma van Bear Grylls, nou echt weten over survival. Bar weinig dus.

Via reisorganisatie Docastaway werden we voor anderhalve op het afgelegen eilandje Siroktabe gedropt. We kregen drinkwater, walkietalkies voor noodgevallen en een harpoen. Verder waren we op onszelf aangewezen. We hadden messen bij ons, en vuursticks om een kampvuur te maken. Die werkten niet. Het stormde enorm, vis vangen lukte niet, de kokosnoten bleken rot. Op dag drie vingen we een slang. Die heb ik met een kapmes doormidden gehakt. Op het filmpje dat we ervan maakten hoor je mij een oerkreet slaken – je verandert echt in een primitief wezen als je uitgehongerd bent. We hadden gehoord dat alles er min of meer eetbaar was. Je zou er in ieder geval niet aan doodgaan.

Een van mijn vrienden kreeg een slagaderlijke bloeding tijdens bamboe snijden. Ik heb hem met naald en draad gehecht en we hebben toch maar even onze walkietalkie gebruikt. De volgende dag kwamen ze kijken en gaven ons een aansteker. Daarna ging het beter. We hebben de tien dagen volgehouden, maar waren allemaal wel negen kilo afgevallen. We hadden heel arrogant gedacht: dit kunnen we wel, maar de natuur heeft ons een lesje geleerd.”

‘Ik sliep op een bergtop omringd door huilende wolven’

Foto Terry Vreeburg

Terry Vreeburg (32) reed in 2010 op de brommer naar Iran.

„Ik reed met een zelfgebouwde aanhanger achter mijn brommer naar Iran. Een uitgestippelde route had ik niet, maar wel voldoende geld voor noodgevallen. In die zin ben ik geen echte avonturier, dan hoor je platzak te reizen. Maar ik heb wel avonturen meegemaakt. Ik heb onder viaducten overnacht en ben met de brommer over de kop gevlogen. In Turkije ben ik bij het wildkamperen in mijn piemel gestoken door een schorpioen en in Iran sliep ik op een bergtop omringd door huilende wolven. In Koerdistan moest ik, bij een tankstation dat werd bewaakt door mannen met kalasjnikovs, mijn brommer repareren met een rolletje plakband en een oude sok.

Echte avonturiers nemen risico’s. Die steken een kolkende rivier over zonder te weten hoe diep die is. Zulke situaties triggeren je vindingrijkheid, je improvisatievermogen. Ik vind het een cliché om te zeggen dat ik reis om mezelf te ontdekken, maar je komt jezelf onderweg onherroepelijk tegen.

Ik ga dit jaar twee weken wildkamperen in Nederland met een zelfgebouwde aanhanger achter mijn fiets. Op avontuur gaan in Nederland heeft iets ironisch. We hebben geen uitgestrekte woestenijen waarin je kunt verdwalen, geen wilde beesten. Natuur is bij ons eerder decor dan realiteit: we mogen ernaar kijken, maar we mogen nergens van de paden af. Door te wildkamperen wil ik mijn eigen stukje publieke ruimte claimen. Je tent opzetten waar je maar wilt zou een mensenrecht moeten zijn.”

‘Het grootste avontuur zat in de kleinste dingen’

Foto Stephan de Groot

Stephan de Groot (31) reisde vorige maand in twaalf dagen per boot van Vlissingen naar Spitsbergen.

„Een kennis vroeg een paar maanden geleden of ik met hem een zeereis richting Noordpool wilde maken. We zouden aanmeren bij Fair Isle, Jan Mayen en Spitsbergen. Waarom niet, dacht ik. Ik wilde altijd al eens naar het noorden. En het liefst niet per vliegtuig maar per schip, zodat het echt als een expeditie zou voelen.

In Vlissingen stapten we op de Ortelius, een van oorsprong Russisch ijsversterkt schip en nu in handen van de Nederlandse reisorganisatie Oceanwide Expeditions. Aan boord waren ruim honderd passagiers, vooral vogelaars. Van tevoren had ik me voorgenomen om uitgebreid over de reis te schrijven, maar ik merkte dat te veel schrijven over wat je beleeft ten koste kan gaan van de beleving zelf. Bovendien lag ik vanwege zeeziekte soms uren op bed.

Elke keer als er buiten iets te zien was – een orka, een ijsbeer – stormden we met z’n allen naar buiten. De reis was zo goed georganiseerd – met uitgebreide diners en lezingen – dat er in die zin weinig ruimte was voor onverwachte dingen. Voor mij lag het grootste avontuur misschien nog wel in de kleinste dingen: het opsnuiven van de poollucht, het rondwandelen in de middernachtzon.

Voor mij zijn reizen en avontuur niet per se met elkaar verbonden. Er was aan boord bijvoorbeeld een Slowaak die alle landen van de wereld had bezocht: alleen Jan Mayen en een paar subantarctische eilandjes ontbraken nog. Het gevaar is dan dat reizen vooral afvinken wordt.”