Column

Kennissen en knuffels in St. Ives

St. Ives in Cornwell is bekend van Virginia Woolf én van de Nederlandse vertaler en dichter Gertrude Starink.

Ik ben in St. Ives om de literatuur op te snuiven. In dit toeristenplaatsje in Cornwall hoef je daar weinig moeite voor te doen, want behoorlijk wat Britse schrijvers hebben hier gewoond. Als ik in de haven oostwaarts kijk, zie ik de Godrevy vuurtoren die Virginia Woolf inspireerde voor haar roman To the lighthouse. En het zeegezicht vanuit Palland House, waar ze tot aan de dood van haar moeder in 1895 met haar familie vakanties vierde, bracht haar op het idee voor die twee andere mooie romans, The waves en Jacob’s room. St. Ives is Woolf-town, wat me bij iedere golfslag in een van de pittoreske baaitjes duidelijker wordt.

Maar in St. Andrew’s Street is literatuur op een ander niveau aanwezig. Op huisnummer 1, waar de golven van de Atlantische Oceaan stukslaan onder het grote raam van de woonkamer, woonde van 1985 tot aan haar dood in 2002 de Nederlandse dichter Gertrude Starink in een piepkleine cottage met haar man Jan Starink. Samen vertaalden ze hier vijftien jaar lang Laurence Sterne’s The life and opinions of Tristram Shandy.

Die vertaling lijkt een bijna onmogelijke opgave, die ze echter wonderwel goed hebben geklaard. Vorig jaar beleefde hun werk nog een herdruk in de Perpetua-reeks van Athenaeum. Tristram Shandy is een meesterwerk. Ik lees het dezer dagen in een pocket van Penguin Classics, die ik dertig jaar geleden in Oxford kocht, en geniet van de rijke fantasie van de achttiende-eeuwse schrijver, die de draak stak met alles en iedereen, de traditionele roman in de eerste plaats.

Behalve vertaler en dichter was Gertrude Starink ook boekhandelaar. In het piepkleine huisje dreef ze in het kamertje aan de straatkant een beroemd antiquariaat, The Mirror and The Lamp, waar ze behalve tweedehands boeken ook haar schilderijen aan de man bracht. Na haar dood verkocht haar man het huisje en keerde hij terug naar Nederland. Een gedenksteen hangt er niet aan de gevel, want het is, zoals zoveel cottages in St. Ives, in handen gekomen van een projectontwikkelaar, die het voor veel geld aan toeristen verhuurt.

Als eerbetoon klop ik daarom aan bij de buurman, de 81-jarige Philip Moran. Hij herinnert zich de Starinks nog heel goed, want ze waren dikke vrienden. „Eens per maand kwam ik bij ze eten, al was hun kookkunst nogal merkwaardig”, zegt hij met een brede glimlach op zijn tandeloze mond. Met Gertrude kon Philip urenlang over de betekenis van een woord kletsen, een woord voor haar vertaling of voor een gedicht uit een van haar vijf bundels die alle De weg naar Egypte heten. Voor critici in Nederland waren haar gedichten, die met de Herman Gorterprijs werden bekroond, nogal hermetisch, maar als je in St. Ives rondloopt, ruik je hun klank en begrijp je hoe en waarom ze zijn ontstaan.

Moran zelf, die vanuit zijn stoel in zijn met boeken en schilderijen volgestouwde hoge woonkamer uitkijkt over de zee, is na een carrière bij de geheime dienst en bij de door hem opgerichte reddingsbrigade ook zelf gaan schrijven. Inspiratie vond hij in een speelgoedbeertje dat op het strand aanspoelde. Het leidde tot de bestseller Soggy the Bear. „Ik heb het er in een uur uitgeramd”, zegt hij over van zijn debuut. Terwijl hij erover vertelt wijst hij naar een stoel vol andere aangespoelde knuffelbeestjes. Een leger verhalen heeft hij nog voor de boeg. In St. Ives spoelt de inspiratie aan uit zee.