Cultuur

Interview

Interview

Foto's Frank Ruiter

Joke Bruijs: ‘Alle vrouwen van mijn leeftijd beginnen op elkaar te lijken’

Lunchinterview

In de halve eeuw die Joke Bruijs in het artiestenvak zit, heeft ze geen dag zonder werk gezeten. „Ken je dat? Je kijkt en ziet een vrouw op leeftijd. Maar zo voel ik me niet.”

Joke Bruijs zit als een amazone op een stoel in de Wassenaarse bistro waar we hebben afgesproken. Benen losjes over de leuning, met één hand schikt ze wat plukjes opgestoken, witblond haar, ze maakt een praatje met de eigenaar en de ober. Zodra ze me ziet binnenkomen, zwiept ze rechtop in de zitting. Há, zegt ze. „Daar zul je d’r hebben.” Haar stem is hees en hard tegelijk, haar uitroep is zowel een begroeting als een startschot. Wat volgt is een lange lunch, en echt, we doen ons best niet alleen maar te praten over ouder worden, ziekte en dood.

Ze is 65 en zit 50 jaar in het vak. Het begon een halve eeuw geleden met een talentenjacht, die ze won. Sindsdien is er weinig wat ze niet heeft gedaan op het toneel en televisie. Theater, cabaret en revue. Ze speelde in een soap, maakte langspeelplaten en speelde hoofdrollen in langlopende televisieseries.

Zelf heeft ze het allemaal niet zo bijgehouden, maar Frits begon erover. Frits Landesbergen, vibrafonist en slagwerker, dertien jaar haar echtgenoot, haar derde. „Hij zegt: dit is een mijlpaal. Je mag een cd maken én we doen een jubileumconcert.” Die cd is er, Young at heart, met uitsluitend jazzy nummers. Het jubileumconcert komt er, in de Rotterdamse Doelen op 25 juni. Ze had het gepland voor mei, maar net die dag dreigde Feyenoord kampioen te worden en zou de stad op z’n kop staan. „Nu valt het samen met mijn moeders verjaardag. Ze is dan tien jaar dood.” Het concert is op een zondagmiddag. „Dat vind ik fijn en de mensen die mij leuk vinden ook. Oudere mensen vinden het gezellig om daarvoor of daarna wat te eten. En voor het donker zijn ze weer thuis.”

Het laatste album van Joke kreeg vier ballen: Joke Bruijs werpt nieuw licht op klassiekers

Ach, haar moeder, zegt ze. Niemand was zo trots op haar als zij. Gênant gewoon, zo trots. „Stond ik op het podium te zingen, zat zij in de zaal alle woorden mee te playbacken.” Ze mimet overdreven een geluidloos lied. „Bloedirritant.” Maar goed, ze begreep haar wel. „Ik ben geworden wat zij had willen zijn.”

Ze had genoeg talent, haar moeder. Voor mode, voor kunst, voor het goede leven. Alleen, zij trouwde op haar achttiende, vlak voor de oorlog uitbrak, en binnen tien maanden kreeg ze een kind. En daarna nog drie. Eerst drie jongens, en toen kwam zij, Jopie. „We waren met z’n tweeën in een mannengezin. Heel ouderwets. De jongens keken voetbal op tv, wij kookten, wasten af en brachten muisstil hun koffie.”

‘Ik heb gezien hoe de dood eruit ziet. Sindsdien herken ik hem meteen’

„Ze heeft me nooit kwalijk genomen dat ik geen kinderen kreeg. Voor haar had het ook niet zo nodig gehoeven. Die armoe, dat gesappel en geploeter.” Lichtpunt in haar leven was de carrière van haar dochter. Die begon direct na de gewonnen talentenjacht, met een betrekking bij Vara’s dansorkest. Ze was 15. „Elke woensdagmiddag reisden mijn moeder en ik van Rotterdam naar Hilversum voor de radio-opnames.” Ze neuriet Raindrops keep fallin’ on my head. „Van alles zongen we. Jazz, dansliedjes, hitjes.”

Zonder diploma van school

Op school was er voor haar „geen redden meer aan”. Ze deed de ulo, de school voor detailhandel en ook nog een jaar huishoudschool. „Daar deed ik het hele jaar over het breien van één sok.” Optreden, zingen, dát kon ze. „Als er op school wat te vieren viel, stond ik op het podium.” Niemand die zich zorgen maakte toen zij op haar zestiende zonder diploma de school verliet. „De directrice zei tegen mijn ouders: die komt er wel.”

Foto’s Frank Ruiter

En dat was ook zo. ’s Avonds trad ze op, overdag was ze thuis bij haar vader bij wie net, bij een bevolkingsonderzoek naar longkanker, nierkanker was geconstateerd. „Cees en Flip werkten al, Jantje zat nog op school. Ik was alleen met hem. Een grote, sterke vent. Niets bleef er van over. Ik heb gezien hoe de dood eruitziet. Sindsdien herken ik hem meteen.” Hij overleed op z’n 48ste. Joke Bruijs was 18 en „in één klap volwassen”.

Nooit heeft ze één dag zonder werk gezeten. „WW heb ik nooit gehad.” Binnenkort krijgt ze AOW. Ze schaterlacht. „Ik heb het formulier aan Frits laten zien en gevraagd of hij wel zeker wist dat hij verder wilde met een bejaarde.” Hij is negen jaar jonger dan zij.

Ze zet haar leesbril op, bekijkt de menukaart. „Een tosti. Daar heb ik trek in.” Ze wijst in de rondte. „Leuke plek wel hier, hè?” Ze woont langer in Wassenaar dan ze ooit in Rotterdam woonde. „Ik zeg altijd: je hoeft niet in een stad te wonen om ervan te houden.” Toen ze met Gerard Cox trouwde is ze met hem van Rotterdam naar de Hoekse Waard verhuisd. En toen ze 14 jaar later van hem scheidde, besloot ze uit te wijken naar Den Haag. „Dan kon hij gewoon in zijn kroegjes komen, dan gaven we elkaar wat lucht.” Lucht genoeg om daarna op toneel en televisie langer zijn echtgenote te spelen dan in het echte leven, eerst in Vreemde praktijken, daarna in Toen was geluk nog heel gewoon. Haar tweede man Boris Bayer bracht haar naar Wassenaar en toen ze van hem scheidde, kocht ze er een huis.

Zie Joke Bruijs in de allereerste aflevering van Toen was geluk heel gewoon

Ze is zongebruind na drie weken vakantie op Bonaire. Met het jubileumconcert op komst is ze toch elke dag maar even naar de sportschool geweest. Niet voor de lijn, want daar doet ze niet aan, maar om sterk te blijven. „Vroeger nam ik achter elkaar twee afleveringen op van Toen was geluk nog heel gewoon en dan reed ik ’s avonds naar Maastricht voor een solovoorstelling.” Dát doet ze dus niet meer. „Dat hoort ook bij ouder worden. Dat je dingen niet meer doet.” Maar een uur en drie kwartier zonder pauze zingen is ook geen geringe inspanning. „En op zulke hakken hè. Dat heb ik van mijn moeder. Pas op met sneakers, zei ze, straks kun je op niks anders meer lopen.” Ik gluur onder tafel naar haar schoenen. Sneakers met sleehakken.

Eigen eten in een thermodoos

Zoals er geen genre is dat ze niet heeft beoefend, zo is er nauwelijks een bekende generatiegenoot te verzinnen met wie ze niet heeft gewerkt. Van André van Duin tot Maria Goos. Van Patricia Paaij tot Martine Bijl. En is er geen podium of zaal waar ze niet heeft opgetreden. „Vroeger had ik standaard 60-70-duizend kilometer op mijn teller staan, zoveel haal ik nu in acht jaar niet eens.” Dat komt, artiesten worden tegenwoordig gereden. „Luxe hoor, heerlijk.” Het eten, ook zoiets, dat wordt heden ten dage gecaterd. „Ik nam altijd mijn eigen avondeten mee in zo’n thermodoos. Wat extra voor de jongens in de bus, en thuis liet ik een bordje achter voor in de magnetron.” Want, zegt ze, Gerard kon geen ei bakken en Boris ook niet en „je wilt toch dat zo’n man wat eet”. Van nature is ze, zegt ze, heel verzorgend. Of ze is het geworden door de rolverdeling vroeger thuis, dat kan ook natuurlijk. In elk geval, ze doet het graag. Hoewel het ook wel heerlijk is dat ze nu een man heeft die staat te koken als ze thuiskomt na een dag hard werken.

Ook totaal anders tegenwoordig in haar vak is de tijd en energie die worden besteed aan uiterlijk en imago. Een stilist? Heeft zij nooit gehad. „Ik trek altijd zelf wat aan.” Visagie? Alleen als ze iets voor televisie doet. Botox of andere cosmetische ingrepen? „Ik vind het niks. Bijna iedereen doet het of heeft het gedaan, in Amerika doen ze het allemaal. Ik zie het direct. Alle vrouwen van mijn leeftijd beginnen erdoor op elkaar te lijken. Je expressie ben je kwijt.” Ze boetseert haar wangen, trekt het vel rond haar ogen strak. „Natuurlijk houdt het me wel bezig. Ken je dat? Je staat op en alles lijkt te lukken. Je kleren staan je goed, je haar zit in een keer in model, je mascara blijft zitten. Dit wordt je dag. En dan loop je buiten langs een winkelruit, je kijkt en ziet… een vrouw op leeftijd. Zo voel ik me niet, maar ik ben het wel.”

Maar ik hou niet van nep, zegt ze. Ze lacht hard. „Die luchtzoenen, die zie je veel in mijn vak. Daar doe ik dus ook niet aan. Van mij krijgt iedereen een klapzoen. Stempelkussen, noemde een regisseur het ooit.” Ze lacht nog harder. De waarheid is, zegt ze dan, dat ze het best gewild had, een prikje hier of daar. Ze sluit ook niet uit dat ze het had gedaan. „Maar nét toen die gedachte een beetje begon te spelen, kreeg ik borstkanker.” Dat is nu bijna tien jaar geleden. Ze werd geopereerd in een weekend dat ze toevallig vrij was, daarna werd ze zeven weken lang bestraald, 35 keer in totaal. „Niemand heeft iets gemerkt.” Elke avond stond ze op het toneel met André van Duin. En zelfs die wist niet van haar ziekte. Dus nee, schudt ze, aan haar lijf geen gerotzooi. „En zullen we het nu over iets gezélligs hebben.”

Ze begint er zelf weer over. Over Sandra Reemer, kennis en collega, die onlangs, nog maar 66 jaar oud, is overleden aan borstkanker. Ze schuift haar mouwen omhoog. „Kippevel,” constateert ze. Bij Joke Bruijs kwam de ziekte negen maanden na de laatste bestraling terug. „Ik moest weer geopereerd en nu grondig.” Ze wringt zichzelf in een bocht om te laten zien welke grote rugspier werd gebruikt voor welke reconstructie. En weer had niemand er last van, zoals ze zegt. „Op 27 juni lag ik op de operatietafel, op 20 augustus gaf ik een jazzconcert in Baarn.” Stoer, zeg ik. Dat is niet stoer, zegt zij. „Dat is overleven.” En toevallig is werken de enige manier van leven die zij kent.