Commentaar

Ook de ondernemer heeft uiteindelijk baat bij een inhaalslag voor de lonen

Verdienen we wel genoeg? Die vraagt rijst op uit de prognoses die zowel De Nederlandsche Bank als het Centraal Planbureau deze week publiceerden.

De Nederlandse economie doet het goed, met een groei van rond de 2,5 procent dit jaar en prima vooruitzichten voor de jaren daarop. De werkloosheid loopt verder terug en de vraag naar arbeid stijgt. Tot zover is er sprake van een vrije normale conjuncturele opgang, zij het dat deze wordt ondersteund door ultralage rentes en een massaal opkoopbeleid van de Europese Centrale Bank.

Wat bij het huidige economische herstel ontbreekt, is een loonstijging die bij deze omstandigheden gebruikelijk was. Dat is geen specifiek Nederlands verschijnsel; het speelt in grote delen van het Westen. Nog vrijdag bleek dat de loongroei in de eurozone in het eerste kwartaal daalde, van 1,6 procent naar 1,4 procent. En dat terwijl overal de economie aantrekt.

Er worden verschillende oorzaken achter gezocht: de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de afname van het vaste contract, de daarmee deels samenhangende afname van de macht van vakbonden. De inzet van die vakbonden op andere arbeidsvoorwaarden dan het loon. Een groter dan zichtbaar onbenut arbeidspotentieel. Banengroei die vooral plaatsvindt aan de bovenkant en de al laagbetaalde onderkant van de arbeidsmarkt, en minder in het midden.

Een bescheiden loongroei is lange tijd, sinds het begin van de jaren tachtig, onderdeel geweest van het Nederlandse model van loonmatiging. Dat heeft gewerkt: de exportpositie is sterk verbeterd en de winstgevendheid van het bedrijfsleven is goed. Maar het einde van dit model lijkt in zicht. Het enorme overschot op de Nederlandse betalingsbalans mag voor een deel geweten worden aan onderbestedingen van consumenten.

Duitsland krijgt op dat overschot felle kritiek. Nederland ontspringt tot nu toe grotendeels die dans, maar het is een kwestie van tijd tot de partners in de wereldeconomie ook ons daar kritisch op wijzen. Een bescheiden loongroei verhindert bovendien mede dat de lage inflatie van dit moment, die het nodige monetaire kunst- en vliegwerk vergt van de Europese Centrale Bank, normaliseert.

Zowel het CPB als DNB pleit voor een snellere loonstijging. De vraag is alleen hoe. Of de overheid het voortouw moet nemen is de vraag. Dat het bedrijfsleven vrijwillig de lonen sterker zou verhogen is fantasie.

In de verhoudingen van vandaag, waar de collectiviteit onder de werknemers afneemt en de individualiteit stijgt, lijkt alleen een nog grotere krapte op de arbeidsmarkt hier toe in staat. Tenzij de ‘flexibele schil’ van werknemers onder de loep wordt genomen. Hoewel flexibiliteit op de arbeidsmarkt een goed antwoord was op de rigide verhouding van voorheen, mag geconcludeerd worden dat deze ontwikkeling te ver is doorgeslagen. De verhouding tussen lonen en winsten in het nationaal inkomen is duurzaam verschoven in het voordeel van het laatste – zeker als zelfstandigen daarin worden meegerekend. Het ondernemersrisico wordt voor een groter deel afgewenteld op de medewerker. Een nieuw kabinet zou hier met een frisse blik naar moeten kijken.

Is dat nadelig voor het bedrijfsleven? Er zijn andere overwegingen dan alleen financiële. De verhouding tussen arbeid en kapitaal kan polariseren. Een eerlijker verdeling van de vruchten van de economische groei draagt bij aan de maatschappelijke rust. En die is ook in het belang van ondernemend Nederland.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.