Recensie

Hij wel, maar zij berust niet in het leven

Marguerite Duras (1914-1996)

Een gesprek tussen twee vreemden, vol respectvolle omtrekkende bewegingen. Daarover gaat dit verhaal, en Duras excelleert weer in de suggestie, het zinderende dat niet zichtbaar wordt.

U kent het wel, zo’n parkje in de stad, met een klaphekje, omringd door een buxushaag, met een grote zandbak in het midden. Terwijl de kinderen in de weer zijn met emmer en schepje, zitten de ouders op de bankjes eromheen. De meesten zijn bezig met hun telefoon, soms wordt er onderling een praatje gemaakt en af en toe komt er een kind verhaal halen als zijn schepje is afgepakt of zijn toren vertrapt.

In zo’n parkje laat de Franse schrijfster Marguerite Duras, in 1955, een ontmoeting plaatsvinden tussen twee personages. Hij is een wat oudere handelsreiziger, zij een twintigjarige oppas die met een jongetje naar het parkje komt. Tussen hen ontspint zich een dialoog die heel voorzichtig en aftastend begint en een hele middag duurt. Een gesprek dat bestaat uit vragen en omzichtig geformuleerde antwoorden: ‘Ik beweer niet dat u geen gelijk heeft..’, ‘Bedoelt u, juffrouw, dat…’, ‘Ik zou u niet willen tegenspreken..’. Uiteindelijk geven beiden zich aardig bloot.

Het is een ontmoeting vol respectvolle, omtrekkende bewegingen – het soort gesprek, kortom, dat inmiddels uit de tijd is. Had iemand als Yasmina Reza, een kei in theaterdialogen, hem geschreven, dan had zij er met haar scherpe pen nog flink wat venijn en hilarische achterbaksheid aan toegevoegd. Maar Marguerite Duras (1914-1996) excelleert in de suggestie, in het onuitgesprokene, in het zinderende dat niet zichtbaar wordt. In haar romans heerst vaak het literaire klimaat van de tropen, van het Azië waar ze opgroeide, haar dialogen kenmerken zich door korte veelbetekenende, maar raadselachtige uitspraken, zeker haar amoureuze gesprekken zijn koortsig, langzaam en uitputtend.

Zo bezien komen we als lezer van Gesprek in een parkje nog veel te weten. De handelsreiziger staat berustend in het leven, hij is wat hij is, gewoon omdat ‘het me is overkomen zoals het ieder ander overkomt’. Hij verdient er zijn brood mee, verwacht geen veranderingen meer, heeft vrede met zijn leven. Met iemand praten is voor hem ‘een buitenkans’. Niemand zou om hem treuren.

Dat laatste geldt trouwens ook voor de jonge vrouw. Maar zij legt zich er niet bij neer. Ze is in dienst van een echtpaar met een kind, en hoopt iedere dag van haar leven dat het verandert. Ze droomt ervan iets te bezitten, ‘soms droomt ze zelfs wel eens van een gasfornuis’. Nog nooit ‘heeft er iemand voor haar gekozen’ en dat moet gebeuren ‘al is het maar één keer’. Trouwen wil ze, ‘haar moedeloosheid’ overwinnen. Is het niet de plicht van mensen om gelukkig te zijn?

De man, door schade en schande wijs geworden, antwoordt haar dat als aan de voorwaarden om gelukkig te zijn is voldaan, de mensen hun best doen om ze weer teniet te doen. ‘Geluk vinden ze bitter.’ Zoals veel personages in Duras’ werk doet de man niets ‘om aan zijn wanhoop te ontkomen’. De mens is bij Duras aan zichzelf overgeleverd, het lot slaat toe en je ertegen verweren heeft nauwelijks zin.

In bijna elk werk van Duras vind je een echo van haar eerste grote roman, Een dam tegen de grote oceaan (1950), die ze vijf jaar vóór dit verhaal schreef, de roman over haar moeder die ieder jaar weer dammen bouwde om haar rijstvelden tegen de zee te beschermen – tevergeefs. Tegen die achtergrond is het open einde dat Duras dit Gesprek in een parkje meegeeft ronduit mild. Mooi dat dit kleinood van een van Frankrijks belangrijkste auteurs nu is vertaald.