Recensie

Geslaagde Andriessen-triptiek bij ‘Weeshuis’ Holland Festival

Splendor besteedt aandacht aan vergeten Nederlands repertoire uit de geschiedenis van het Holland Festival. Zangeres Nora Fischer overtuigde met werk van Louis Andriessen.

Sfeerbeeld van een eerdere avond Weeshuis van het Holland Festival. Foto Ada Nieuwendijk

In muziekzaal Splendor krijgen de vergeten vruchten van het twintigste-eeuwse, vaderlandse componeren een tweede kans in Het Weeshuis van de Nederlandse Muziek. Deze maand staat er een trits Holland Festival-specials op het programma: drie donderdagavonden met onterecht veronachtzaamd repertoire van eigen bodem uit de zeventigjarige geschiedenis van het festival.

Het Weeshuis kent een unieke concertformule: elk programma wordt twee keer gespeeld, met als intermezzo een kort tafelgesprek onder leiding van componist David Dramm. Afgelopen donderdag schoof Louis Andriessen aan om een muzikale familietriptiek van anekdotes te voorzien.

Zangeres Nora Fischer. Foto Janiek Dam

En dus hoorde het publiek hoe broer Jurriaan eind jaren veertig naar Parijs toog, om muziek te componeren bij een tekenfilm en les te volgen bij Darius Milhaud. En passant werd hij verliefd op pianiste Lia Palla, waardoor de ingenieuze harmonieën, habanera-ritmes en citaten uit Milhauds Creation du Monde in zijn Hommage à Milhaud (1948) onwillekeurig een nuance broeieriger klonken in de tweede ronde.

Van vader Hendrik verscheen de Aubade voor koperkwartet op de lessenaars, voor het eerst te horen tijdens het Holland Festival in 1951. Nu klonken de plechtig-feestelijke koraal- en marsmotieven in de warme kopermixturen van Ramon Wolkenfeit, Marc Kaptijn (beide trompet), Petra Botma-Zijlstra (hoorn) en Sebastiaan Kemner (trombone).

Zelf vertoefde Louis Andriessen in 1962 in Milaan, waar hij studeerde bij Luciano Berio en zich graag liet vergasten op de uitstekende spaghetti van mezzosopraan Ileana Melita. Voor haar schreef hij zijn Canzone 3 (Utinam) voor stem en piano, een partituur die hij voor het Holland Festival in 1967 bewerkte tot Cantico Job voor zangeres, fluit, cello en klavier.

Nora Fischer zong beide overtuigend, maar kwam het best tot haar recht in de versie met pianobegeleiding: dwingende podiumprésence, kernachtig vibratoloos en met soms een doelbewust rafelrandje. Adembenemend: zoals Fischer van een kermende lage cis naar een fluisterzachte hoge d zweefde.