Interview

Andy Griffiths: ‘De tijd van de lezer verspillen, dat is grappig’

Andy Griffiths Geen kinderboekenserie is hier zo populair als De waanzinnige boomhut. De verhalen zijn allemaal gebaseerd op maffe conversaties met kinderen, vertelt de Australische schrijver.

Foto James Penlidis

Al vijftien jaar maakte hij kinderboeken vol onnavolgbare verhalen en flauwe grappen en eigenlijk dacht Andy Griffiths (1961) niet dat de rest van de wereld ooit nog geïnteresseerd zou raken in zijn boeken, gemaakt met illustrator Terry Denton (1950). „Te Australisch, te onstuimig.” Maar toen kwam De waanzinnige boomhut. Een serie over twee mannetjes, Andy en Terry, die in een enorme boomhut wonen en daar boeken maken over hun avonturen. Licht anarchistische avonturen, de ene keer coherenter dan de andere, maar altijd met lol als hoofddoel en de grap als grootste goed.

Nu reist de Australiër jaarlijks wekenlang de wereld over. Hij was onlangs ook even in Nederland, waar de Boomhut-serie reusachtig populair is. Het vijfde deel, De waanzinnige boomhut van 65 verdiepingen, werd uitgeroepen tot het lievelingsboek van de Nederlandse kinderen: het won zondag de Prijs van de Nederlandse Kinderjury. En De waanzinnige boomhut van 78 verdiepingen (er komen er elk deel 13 bij) was bij verschijning, dit voorjaar, meteen het best verkochte boek van Nederland.

Andy Griffiths: „Eerst leverden de boeken een klein bedrag aan royalty’s op en kwam ik rond van schooloptredens overal in Australië. Het grote voordeel daarvan was dat ik elke dag tegenover kinderen stond. Om ze aan het lachen te krijgen moest ik uitvinden wat werkt, hoe ik hun aandacht greep. De verhalen waaruit de Boomhut nu bestaat, zijn allemaal gebaseerd op de maffe conversaties met hen. Dan zei ik: ‘Nou, ik woon dus in een boomhut met een bowlingbaan.’ Zij: ‘Neeee, dat kan toch niet!’ Ik: ‘Oh jawel hoor, we bowlen de hele tijd.’ Zij: ‘Maar die ballen dan?’ Ik: ‘Ja, soms gaan er mensen dood door een vallende bowlingbal. Ze hadden beter moeten uitkijken. Iedereen weet dat je altijd boven je moet kijken.’ Zij: ‘Niet waar! Je moet altijd vóór je kijken!’”

Griffiths heeft clowneske pretoogjes, maar de 55-jarige schrijver vertelt op opvallend onderkoelde, laidback toon uitgebreide verhalen over de absurdste flauwiteiten, waarnaar hij, zo blijkt, serieuze studie heeft gedaan.

„Ik heb lange filosofische discussies over kleinigheden met Jill, mijn vrouw en onze redacteur. Over wat grappig is en of we de grappen logischer moeten maken. Daar zitten jaren studie in.”

Kinderboeken schrijven doet hij nu zijn halve leven. In de jaren tachtig was Griffiths vocalist bij twee Australische punkrockbands, Gothic Farmyard en Ivory Coast.

Het maken van deze boeken vergt een hechte samenwerking tussen jou en Terry, vermoed ik? Hoe werkt dat?

„Vroeger gingen Terry en ik samen in een afgelegen strandhuis zitten, maar we zijn inmiddels zo bedreven dat ik tien maanden werk aan een uitgedacht storyboard, en dan vult Terry een heel boek in drie weken. Bijna instinctief, hij denkt met zijn pen. Jill en ik zijn heel bewust bezig om een stevige structuur neer te zetten, zodat Terry totaal onverantwoordelijk aan de slag kan. Jill bekommert zich het meest om de emotionele betrokkenheid van de lezer. Zij zegt: ‘Hmm, jullie lijken het naar je zin te hebben, maar ik voel me als lezer buitengesloten.’ Zij weet: iets kan grappig zijn en toch het verhaal tegenwerken.”

Terry komt er dus pas op het einde bij? Dat verbaast me: de illustraties spelen zó’n grote rol.

„Nou, ik heb hem eerder al wel nodig. Bij het begin van het zesde boek vertelde ik hem bijvoorbeeld wat ik in mijn hoofd had: een filmregisseur komt naar de boomhut en Andy en Terry willen allebei graag de hoofdrol. Dus ik vroeg aan Terry: teken even de filmset waar Terry op komt rennen met zijn broek in de fik. Dat doet hij dan, en dat werd meteen fantastisch, alles wat ik nodig had om het verhaal te ontwikkelen.”

Kinderen bleven me maar vragen om een verdieping met eenhoorns, daar moest ik iets mee.

Hoe werkt dat ontwikkelen? Eerlijk gezegd lijkt het soms willekeurig, alsof het verhaal alle kanten op kan gaan – op een aanstekelijke manier, dat wel.

„Ik krijg goede ideeën door er veel te genereren. Kinderen bleven me maar vragen om een verdieping met eenhoorns, daar moest ik iets mee. Dus ik bedacht: waarom staat die broek van Terry in de fik? Doordat ze een combineermachine hebben – combinaties zijn ook een goede basis voor grappen. Dus Terry heeft een sidderaal met een eenhoorn gekruist tot een elektrihoorn, een electricorn – dat klonk goed, en dat is alle logica die je nodig hebt. Onze logica is vaak gebaseerd op klank, en of het er goed uitziet. Dat Andy boos is op Terry omdat die zijn chips heeft gepikt, leidt tot een ruimteveldslag – zoiets surrealistisch kan omdat Terry het zo tekent dat je denkt: het ziet er geweldig uit, waarom zou ik het hier mee oneens zijn?”

En billen. Simpele kinderhumor.

„Ja, er komt elektriciteit uit de elektrihoorn, daarom staan Terry’s billen in de fik. In mijn jonge jaren vulde ik hele boeken met dat type humor, billenhumor. Dat amuseerde me conceptueel: dezelfde grap op een triljoen verschillende manieren maken. Bovendien is alles met billen een gegarandeerde hit bij het publiek, bij een bepaald deel althans. Bij volwassenen wat minder, al moet je eens nagaan waar Monty Python mee wegkwam. De punkrocker in mij is daar wel blij mee.”

Over punk gesproken: jullie doorbreken graag de conventies. Als Andy zijn autobiografie schrijft, vertelt hij bladzijdenlang hoe hij geboren wordt en dan groter wordt: ‘En groter. En groter. En groter. En groter. En groter’…

„Ja, want dat is grappig: de regels moedwillig breken, de tijd van de lezer verspillen. Ten slotte neemt Jill de rol van ‘niet-idioot mens’ weer in en legt ze uit dat het niet alleen waargebeurd moest zijn, maar ook interessant.”

Wat is nou het geheim van zo’n grap?

„Dat de lezer het al doorhad. We erkennen de jonge lezer in zijn intelligentie, dat spel spelen we de hele tijd: jij weet dat wij weten dat jij weet wat een verhaal moet zijn, en toch doorbreken we dat. Net als in het eerste Boomhut-boek: dat Blaffy de hond daar bladzijdenlang alleen maar blaft. Ik word heel vrolijk als ik denk aan de ouders die dat voorlezen. Dat de daad van het lezen zo’n lol kan brengen, daar is een goed kinderboek wat mij betreft van doordrongen.”

Lol is de drijfveer?

Ja, lol, maar ook de fantasie: ik wil de verbeelding vergroten en voorbij de dingen brengen die je al eens gedacht hebt. Mijn kompas is Alice in Wonderland, dat ook vol staat met paradoxen en discussies over wat woorden betekenen, waarom een woord niet zomaar kan betekenen wat je wilt. Ik hoor van ouders dat ze ook die discussies voeren over de Boomhut. Vooral na het vijfde deel, waar Andy en Terry in een afvalcontainer gaan tijdreizen, wat vragen oproept over of je jezelf kunt redden in het verleden. Als kind hield ik enorm van de surrealistische wendingen in Dr. Seuss en Alice in Wonderland. Ik controleer altijd even bij mijn zevenjarige zelf of die het leuk vindt.”

Hoe doe je dat?

„Dat vermogen is er gewoon gebleven, alsof er een raam open is blijven staan. Bij de meeste mensen sluit dat raam als ze de wereld betreden om betekenisvolle dingen te gaan doen, met to-dolijstjes en zo. Die mensen houden niet van tijdverspilling of nutteloosheid. Een kind heeft geen to-do-lijst, en dat is een bevrijdende zegening. Daar maak ik gebruik van, om hun verbeelding te vergroten en ze verhalen te vertellen waar ze vrolijk van worden, over twee volwassen mannetjes die ook niet zo onder de indruk van de volwassen wereld zijn. De essentie van onze boeken is: wij spelen, met woorden en ideeën.

„Als je hedendaagse businessboeken of zelfhulpboeken leest, zie je dat ze allemaal over spelen gaan en over hoe je dat in je bedrijf kunt introduceren, omdat je dan gelukkiger wordt en flexibeler denkt. Terry en ik hebben daarin twintig jaar ervaring, dat is mijn verklaring.”

Is dat het geheim van de Boomhut-serie? Of heb je daar een ander idee over?

„Het zit in veel factoren: de speelsheid, de vrolijkheid. En deze personages maken wel ruzie en slaan elkaar, maar ze zijn goede vrienden, het is een veilige groep om mee op te trekken als lezer. Maar de Boomhut is ook het gevolg van onze ontwikkeling. Terry en ik hebben tien jaar lang een scala aan humorstijlen uitgeprobeerd en ik denk dat je die nu allemaal terugziet. We plezieren hiermee een breed publiek, niet alleen de kinderen die van exploderende billen houden of van flauwe rijmpjes. Het is inclusief. Ik vond het ooit geweldig om in een punkband het hardste en hinderlijkste geluid te maken, maar dat ken ik nu wel, ik zoek die extremen niet meer op. Zonder dat dat een vermindering van de malligheid betekent. Ik denk dat we daarin juist beter geworden zijn.”

Dus die boomhut groeit nog door tot in de hemel?

„Kinderen vinden dat ook een fascinerende kwestie en vragen me: ‘Komen er ooit meer dan honderd verdiepingen?’ Dan zeg ik: ‘Nee, er bestaan geen getallen boven de honderd.’ Zij: ‘Jawel!’ Ik: ‘Nee, echt niet, die zijn puur theoretisch.’ Zij: ‘101! 102! 103!’ Ik: ‘Je kunt die onzin wel voor me uitspellen, maar waar wordt het niet, hoor.’

„Ik dacht altijd dat het zeven boeken zouden worden, dat leek me genoeg. Maar nu verloopt het maakproces steeds soepeler en heb ik het idee dat we steeds beter worden, dus ik werk nu 91 verdiepingen af en ga dan verder aan 104 verdiepingen. Seinfeld zei dat als je het podium te vroeg verlaat, je je publiek teleurstelt omdat ze méér wilden, en als je te lang blijft, had je publiek minder gewild. Dat doen comedians: naar de grote, definitieve lach spelen en dan stoppen. Dat wil ik ook.”