De ene beurs lokt de andere uit

Spinozapremie

Vrijdag werden de Spinozawinnaars bekend gemaakt. De kritiek op grote individuele prijzen en beurzen groeit. Ze zijn steeds meer een voorwaarde voor een wetenschappelijke carrière.

Het beeldje van Spinoza dat winnaars van de Spinozapremie ontvangen. Foto Evert-Jan Daniels/ANP

Eerst won bioloog Marten Scheffer de Spinozapremie, de hoogste wetenschappelijke prijs van Nederland. Dat betekent: roem en 2,5 miljoen euro voor zelf te kiezen onderzoek. Prompt kreeg hij het jaar daarop nog een felbegeerde onderzoeksbeurs, dit keer uit Brussel. Weer 2,5 miljoen euro. En twee jaar later sleepte hij een nog grotere Nederlandse beurs binnen, met een consortium waarin ook twee andere Spinozawinnaars zaten. 28 miljoen euro.

Vrijdag maakte wetenschapsfinancier NWO de vier Spinozawinnaars van dit jaar bekend. Maar in de academische wereld zijn er de laatste jaren groeiende zorgen, frustraties en discussies over dit soort grote, individuele onderzoeksbeurzen. Scheffer, die werkt aan de Wageningen Universiteit, weet wel waarom. Die reeks bij hem was geen toeval, zegt hij. „De ene grote beurs lokt de andere uit. Het is een zichzelf versterkend effect.” Degenen die hebben, zullen meer krijgen.

Volgens Neerlandicus Lotte Jensen zijn zulke beurzen steeds meer een voorwaarde voor een wetenschappelijke carrière. Ze heeft het zelf gemerkt. In 2011 ontving ze een Vidi-beurs (800.000 euro) van NWO. „Opeens openden zich allerlei deuren.” Ze werd universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en trad toe tot de Jonge Akademie, een platform van jonge topwetenschappers. Begin dit jaar kreeg ze van NWO een Vici-beurs (1,5 miljoen euro) – het vervolg op een Vidi. „Daarvan wordt gezegd dat het echt als een raket voor je carrière werkt.” Een hoogleraarschap komt nu in het vizier. En wat nog meer?

Groeiende ongelijkheid

Het Rathenau Instituut, dat wetenschapsbeleid analyseert, verwoordde de zorgen en frustraties vorig jaar in het rapport Excellent geld. Zorgen zijn er bijvoorbeeld over groeiende ongelijkheid; dat een kleine groep wetenschappers steeds meer zeggenschap krijgt over grote sommen geld. Het zou de ruimte voor ander onderzoek kunnen beperken. En dwarse, risicovolle ideeën smoren. Zorgen zijn er ook over de grote nadruk op onderzoek en publicaties. Het gaat ten koste van die andere officiële taken van de universiteit: onderwijs, en kennisoverdracht naar de maatschappij.

Frustratie is er over de steeds fellere concurrentiestrijd om beurzen. NWO kent volgende maand 160 Veni-beurzen (de voorloper van Vidi en Vici) van maximaal 250.000 euro toe aan talentvolle jonge onderzoekers. NWO kreeg 1.126 voorstellen. Een honoreringskans van 14 procent. Zo laag is het nooit eerder geweest.

De druk wordt gevoed door het grote belang dat aan bepaalde beurzen wordt gehecht. „Zonder een Veni krijg je hier geen vaste aanstelling”, zegt Jensen. Melanie Peters, directeur van het Rathenau Instituut, erkent de trend. „Jonge mensen denken dat ze de boot missen zonder Veni of Vidi.” Dat leidt weer tot kritiek op universiteitsbesturen. Als ze alleen nog jonge mensen met een grote NWO-beurs aannemen, hebben ze hun personeelsbeleid de facto uitbesteed.

Het Rathenau Instituut onderzoekt sinds twee jaar de gevolgen van het ‘excellentiebeleid’ van de laatste 25 jaar. In de jaren zeventig en tachtig, schetst Peters, stroomden de universiteiten vol met studenten. Onderzoek was een ondergeschoven kind. Benoemingen werden lokaal geregeld. „De vakgroep bepaalde wie er wel en niet doorging.” In de jaren negentig volgde een tegenbeweging. Universiteiten moesten meer als bedrijven worden geleid. De aandacht voor onderzoek groeide. Net als voor concurrentie en individuele prestaties. Kernwoord: excellentie. Er kwamen grote beurzen voor individuele toponderzoekers. En in reactie op de vriendjespolitiek kwamen er kille indicatoren om prestaties te meten.

„Tegen die golf is nu ook weer een tegenbeweging gekomen”, zegt Peters. Universiteiten heroriënteren zich op hun kerntaken. Er komt voorzichtig meer aandacht voor onderwijs. Net als voor het maatschappelijk nut van kennis – daarvoor is twee jaar geleden de Nationale Wetenschapsagenda opgesteld.

Ook de verdeling van onderzoeksgeld staat ter discussie, en daarmee die prestigieuze, individuele beurzen. Wat is hun nut? Hoe groot moeten ze zijn?

Spreiden

„De Zwaartekrachtsubsidie moeten we onmiddelijk afschaffen”, zegt wiskundige Aad van der Vaart van de Universiteit Leiden. Dat is een subsidie van 120 tot 150 miljoen euro, die het ministerie van Wetenschap via NWO onregelmatig uitdeelt aan 5 à 6 consortia. Van der Vaart zegt dat het geld gespreid zou moeten worden, over meer mensen. Of de Spinozapremie ook afgeschaft moet worden? Van der Vaart twijfelt: „Die is wel heel bijzonder”.

„Maar hij mag best wel wat kleiner”, zegt neerlandicus Lotte Jensen van de Radboud Universiteit Nijmegen. „1 miljoen zou ook al mooi zijn.” Jensen wil vooral meer variatie in de NWO-beurzen, zeker voor de geesteswetenschappen. „Bijvoorbeeld om senior wetenschappers een jaar aan een boek te laten werken.”

Classicus Ineke Sluiter van de Universiteit Leiden (Spinozawinnaar 2010 en Zwaartekrachtwinnaar 2017) vindt het geen probleem dat het winnen van een Vici-beurs of een Spinozaprijs wordt gezien als bewijs van kwaliteit. „Want dat is het ook”, zegt ze. „Het probleem is dat de afwezigheid van zo’n prijs wordt gezien als het ontbreken van kwaliteit. Alsof iemand zonder zo’n grote beurs per definitie een slechte wetenschapper is. Dat is een denkfout, met soms ernstige gevolgen voor carrières.” Beoordelingscommissies zouden volgens haar meer moeite moeten doen om topkwaliteit te zoeken, vinden en belonen. „Ze moeten niet alleen cv’s scannen, maar echt publicaties gaan lezen.”

Psycholoog Daniël Lakens van de Technische Universiteit Eindhoven vindt vooral het ontbreken van een empirische basis onder het wetenschapsbeleid „bizar”. Er wordt geld verdeeld zonder te weten wat wel en niet werkt, zegt hij. „Er is he-le-maal niks aan onderzoek.” Hij hoopt dat te veranderen. Vorige maand heeft hij een Vidi-beurs gekregen. Hij is er nóg van in een ambivalente bui, zegt hij lachend. „Ironisch hè? Ik was altijd kritisch op NWO en de onderzoeksfinanciering, en nou krijg ik zelf zo’n beurs.” Maar het geeft hem wel de kans te analyseren hoe het onderzoeksproces efficiënter kan – want dat wil hij met dat geld gaan doen. Voor individuele wetenschappers, en voor groepen.

NWO laat weten dat de ‘financieringsinstrumenten’, de aanvraagdruk en de lage honoreringskansen van beurzen op de agenda staat. Later dit jaar wordt er meer over bekend, zegt een woordvoerder. „Er gaan wel degelijk dingen veranderen.”