Recensie

Cassandra’s dagboeken: zóveel meer dan een bakvisroman

Klassiek meisjesboek Cassandra schrijft in haar fictieve dagboeken eerlijk, geestig en een tikje dweepziek. Goed dat deze oer-Britse roman opnieuw vertaald is.

‘Jij bent het verraderlijke type, Jane Eyre met een vleugje Becky Sharp. Een heel gevaarlijk meisje.’ Een betere typering voor Cassandra Mortmain, de zeventienjarige heldin uit de Engelse dagboekklassieker I capture the castle van 101 Dalmatians-schrijfster Dodie Smith (1896-1990), had de babbelzieke, likeurminnende dominee, een van de romanpersonages, niet kunnen geven.

Cassandra is inderdaad eerlijk, intelligent, onafhankelijk en begiftigd met een ontwapenende vertelstem. Tegelijkertijd kan ze, geholpen door geveinsde naïviteit en gevoel voor ironie, onverwacht geestig uit de hoek komen.

Dat de uitgever deze oer-Britse roman uit 1949 nu in een nieuwe, vlotte vertaling heeft uitgebracht, is lovenswaardig. Bovengenoemde kwaliteit van De dagboeken van Cassandra Mortmain zou je namelijk niet direct vermoeden, op basis van de enigszins clichématige verhaalingrediënten: een vervallen kasteel in Suffolks countryside. Een broodarm gezin bestaande uit vader ‘Mortmain’, schrijver en sinds zijn experimentele debuut geplaagd door een writer’s block, Mortmains tweede echtgenote en kunstenares met bohemien levensstijl Topaz, oudste dochter Rose die uit een van Jane Austens boeken lijkt weggelopen, dochter Cassandra die romancier wil worden, en jongste zoon Thomas, de nuchterheid zelve.

Een gelukkig einde

De woest aantrekkelijke huisknecht Stephen, kat Ab(élard) en hond Hél(oise) completeren dit volgens Cassandra ‘deplorabele stelletje’, wier levens ingrijpend veranderen wanneer twee gefortuneerde Amerikaanse broers plots in het naburige landhuis komen wonen. Met het voorjaar in aantocht groeit en bloeit er van alles, en de liefde niet het minst.

Ja, dat klinkt als een klassieke bakvisroman voor anglofielen. Met veel thee, geurende rozenperken, het verleden dat overal voelbaar is en, zo verwoordt een van de Amerikaanse jongemannen treffend, een ‘formaliteit die in de lucht zit’. Zo’n boek, zou Cassandra zeggen, ‘met een gelukkig einde als een dikke muur […], waarbij je nooit meer over de personages nadenkt’. Maar dat is nu precies waarin Smiths boek zich onderscheidt: Cassandra is een onvergetelijk meisje. Dat ze soms wat dweepziek en wijdlopig is, is haar gemakkelijk vergeven. Uiteindelijk is ze een beginnend auteur. Ze moet zich nog ontwikkelen. En dat doet ze.

Bewust van effectbejag

Cassandra worstelt met metaforen, toont zich bij slapstickscènes bewust van effectbejag door overdrijving en zoekt woorden om de schoonheid van de natuur te vangen. Wie de tussen maart en oktober geschreven dagboeken achter elkaar leest, merkt gaandeweg hoe Cassandra’s stem en haar uit scherpe observaties voortkomende gedachtespinsels over liefde, geloof en literatuur steeds volwassener worden. En hoe haar romantisch verlangen ‘in een Victoriaanse roman te leven’ plaatsmaakt voor het besef dat mensen ondoorgrondelijke wezens zijn, waardoor veel onbegrepen zal blijven.

Beetje jammer van dat zoetige einde met die opzettende herfstmist. Maar ja, nog altijd stukken beter dan die ‘dikke muur’.