Recensie

Angstig, eenzaam, verwend en irritant

Johan Polak (1928-1992)

In een overtuigende biografie komen behalve Polaks verdiensten als uitgever ook nare eigenschappen naar voren. Kamp Westerbork en de onderduik waren daar debet aan.

Uitgever Johan Polak in 1987 Foto Vincent Mentzel

Het leven van Johan Polak draaide behalve om boeken, ook om braken. Dat besef je zodra je de biografie J.B.W.P. Het leven van Johan Polak van Koen Hilberdink (1957) uit hebt. De moeder van deze uitgever, bibliofiel en homo-emancipator leed in de jaren dertig aan nervositeit en moest dan regelmatig langdurig overgeven. Uitgeput lag ze daarna een paar dagen in bed. Het moest dan stil zijn in huis. Voor haar jonge zoons, Johan en Rob, moet die stilte bedreigend zijn geweest. Ze voelden zich niet veilig bij hun moeder.

Voor het vervolg kan Freud uit de kast worden gehaald. Want als Johan Polak op latere leeftijd, toen zijn moeder al overleden was, ‘mutuele masturbatie’ beoefende met een van zijn sekspartners, wilde hij dat die ook ging kotsen. Zijn sterke moederbinding en -afwijzing hadden zijn leven behoorlijk bepaald.

Johan Polak (1928-1992) is een moeilijke persoon om vat op te krijgen. Behalve jegens een handvol vrienden, zoals zijn studiegenoot Frits Bolkestein, liet hij zelden zien wie hij werkelijk was. Liever voerde hij een narcistisch toneelstukje op waarin hij zich erover beklaagde dat hij ‘lelijk, homo en jood’ was. Geen gelegenheid liet hij voorbijgaan om zich als bewonderaar van de dichters Leopold en Boutens te manifesteren en hij zijn tranen kon laten vloeien tijdens het citeren van hun poëzie.

Toch is Hilberdink er in geslaagd een overtuigende biografie van Polak te schrijven. Dat de excentrieke uitgever lang niet altijd sympathiek, maar ook mateloos verwend, irritant en akelig naar voren komt, is daarbij een verdienste. De verklaring voor dat gedrag vindt de biograaf in Polaks jeugd als telg uit een welgestelde, geassimileerde joodse familie in Amsterdam.

Hilberdink laat goed zien dat Westerbork en die onderduik bepalend zijn geweest voor Polaks verdere ontwikkeling

Zijn moeder Sara Schwarz was een van de erfgenamen van een familiebedrijf in geur- en smaakstoffen, zijn vader Sem Polak een hoge gemeente-ambtenaar, die in april 1940 aan een hartkwaal overleed. De Tweede Wereldoorlog deed de rest. Want ondanks haar relatief beschermde positie, als eigenaar van een fabriek die door de productie van een suikersurrogaat voor de Duitsers onmisbaar was, werd een deel van Johans familie toch naar de concentratiekampen gedeporteerd en vermoord. Alleen dankzij de bemoeienissen van Cook Brummer, de niet-joodse mededirecteur van de Polak & Schwarzfabriek, ontkwamen Johan, zijn broer Rob en zijn moeder aan de dood.

Op 20 juni 1943 waren ze tijdens de grote razzia in Amsterdam-Zuid opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Koortsachtig onderhandelde Brummer met de Duitsers over hun vrijlating. Met succes, want na acht dagen mochten ze terugkeren naar Amsterdam. In februari 1944 doken ze onder, Johan met zijn moeder in een pension op de Veluwe, Rob in Utrecht en Amsterdam.

Hilberdink laat goed zien dat Westerbork en die onderduik bepalend zijn geweest voor Polaks verdere ontwikkeling. Het kamp zorgde ervoor dat hij zich de rest van zijn leven een jood zou voelen, die de door de Duitsers vernietigde culturele erfenis van zijn lotgenoten moest zien te bewaren en die permanent bang was voor een heropleving van het antisemitisme. De onderduik bepaalde dat hij als geïsoleerde puber geen normale seksuele ontwikkeling had doorgemaakt.

Terug in Amsterdam en weer op de HBS ontdekte de inmiddels 16-jarige Polak zijn homoseksualiteit dankzij de homo-erotische roman Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan en de poëzie van P.C. Boutens. Als scholier merkte hij ook dat hij populair kon worden door uit het hoofd uit romans en gedichten te citeren. Het was een kunstje dat succes opleverde, schrijft Hilberdink. En dat kunstje zou Polak de rest van zijn leven blijven opvoeren, tot vermaak van zijn bewonderaars, tot ergernis van hen die met hem moesten samenwerken.

Na zijn eindexamen wilde hij aanvankelijk geneeskunde of psychologie studeren, maar een beroepskeuze-test beoordeelde hem als contactueel gebrekkig en te egocentrisch voor die studies. Bij een VVV-achtige of PR-organisatie zou hij beter op zijn plaats zijn. Hilberdink wijst er terecht op hoe vreemd het was dat bij die test geen rekening werd gehouden met de vroege dood van Polaks vader, zijn onderduik, de jodenvervolging en zijn ontluikende homoseksuele gevoelens. Een logischer conclusie van de adviseurs zou zijn geweest dat het kunstje dat Polak opvoerde een overlevingsstrategie was.

Als Polak toch psychologie gaat studeren, huurt hij een kamer bij uitgever Geert van Oorschot, bij wie hij in aanraking komt met het uitgeversvak. Van Oorschot zorgt ervoor dat hij betrokken wordt bij de bezorging van het verzameld werk van Leopold. Via deze dichter en classicus, ontdekt hij de klassieke talen, een vak dat hij hierna gaat studeren.

Rob van Gennep

Eind jaren vijftig heeft Polak zijn eerste homo-vriendje, maar zijn grote liefde ontmoet hij in 1961: de heteroseksuele Rob van Gennep, met wie hij een uitgeverij sticht, Polak & Van Gennep, die hen beiden beroemd zal maken. Waar de interesse van de linkse Van Gennep vooral bij het politieke boek lag, ging de voorkeur van Polak uit naar schrijvers uit de wereldliteratuur zoals Italo Svevo, Alfred Döblin, Elias Canetti en Marguerite Yourcenar, die hij in het Nederlands introduceerde. Het fortuin van Polaks moeder, die in 1969 overleed, stelde hen in staat om prachtig verzorgde boeken uit te geven, die niet verkochten. Maar naarmate de schulden steeds vaker gecompenseerd moesten worden uit dat vermogen, namen de spanningen in het bedrijf toe. Uiteindelijk gingen de twee compagnons uiteen, waarbij Van Gennep kon rekenen op een behoorlijke financiële steun van Polak, en gingen beiden met een eigen uitgeverij verder.

Ook de door Polak in 1966 opgerichte Athenaeum Boekhandel in Amsterdam leek op die manier ten onder te gaan. De nieuwe directeur Guus Schut wist dat te voorkomen door op een gegeven moment de klaploper Henk Kolk te ontslaan, die door Polak op grond van zijn uiterlijke kenmerken was aangesteld en jarenlang de boekhouding van het bedrijf met zijn eigen portemonnee had vermengd.

Polaks tragische liefdesleven levert in deze biografie zowel vermakelijke als onsmakelijke passages op. Schokkend is om te lezen hoe velen van Polaks rijkdom hebben geprofiteerd en hem seksuele diensten verleenden in ruil voor geld. Zelfs Jan Siebelink deed eraan mee toen hij een lening van Polak voor de verbouwing van zijn huis niet kon aflossen. Het versterkt het beeld dat Hilberdink van Polak schetst: dat van een angstige en eenzame man, die troost zocht in de boeken van schrijvers met wie hij zich verwant voelde.