Recensie

Opgroeien in de Bijlmer is niet alleen rot

Murat Isik schrijft over een Turks-Nederlandse jongen met een tirannieke vader. En over hoe niet één factor je identiteit bepaalt.

Illustratie Paul van der Steen

Om te beginnen moet gezegd worden dat Murat Isik er in Wees onzichtbaar bewonderenswaardig in slaagt om je steeds geboeid te houden, bij zijn coming-of-age-verhaal van een Turks-Nederlandse jongen die opgroeit in de Bijlmer, in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Daarover vertelt Isik het complete verhaal – ‘episch’ heet het op de achterflap, al wil de uitgever daar waarschijnlijk ‘heel omvangrijk’ mee zeggen. Het is eerder een meeslepend huis-tuin-en-keukenverhaal dan een epos. Maar: een ‘gewoon’ boek is het niet.

In de bijna zeshonderd bladzijden die Wees onzichtbaar telt, beschrijft Isik bijvoorbeeld hoe de jonge Metin Mutlu likkebaardend kennismaakt met Marvel-comics, hoe hij zijn eerste seksuele ervaringen heeft (groepsgewijs, naast het luikje van de vuilnisschacht), hoe hij een te laag schooladvies krijgt maar toch naar het vwo gaat, en ondertussen toont hij ook hoe de Bijlmer steeds meer verloedert en verwerkt zelfs soepeltjes een sociale geschiedenis van de wijk in het verhaal, en beschrijft hoe tot overmaat van ramp op een oktoberavond in 1992 zich een vliegtuig in een van de naburige flats boort. Maar hij vertelt ook gewoon hoe de familie een fortuin verdient door köfte (gehaktballetjes) te verkopen op Koninginnedag – een van de betere momenten van vader Mutlu. Want de rode draad is hoe die als een tiran over het gezin heerst.

Dat laatste tekent de jeugd van Metin en zijn zus, en verklaart (deels) de titel van het boek: om zich staande te houden moeten zij uit de wind blijven, om zich te handhaven moeten zij zich schuilhouden voor hun toornige vader. Zij hebben rekening met hem te houden, hij niet met hen, of met hun moeder, die hij als patriarch onder de duim houdt. Metin, de ik-verteller die achteraf zijn verhaal vertelt, zegt in het begin al: ‘We leerden naar de grond te staren en als onopvallende spookjes door het huis te dwalen, op weg naar de ruimte die ons was toegewezen. We leerden incasseren en slikken.’

Heroïnejunks

Dat schrijft Murat Isik (1977) treffend – zoals hij zich steeds een zelfverzekerde verhalenverteller toont, trouwens net als in zijn sterke debuut Verloren grond (2012). Al zijn er ook wel wat momenten waarop hij stilistisch de mist in gaat, terwijl dat te vermijden was geweest. Soms is de verteltoon merkwaardig plechtstatig (bij een vechtpartij: ‘Tot mijn verbazing lukte het de conciërge de havist te ontzetten’), waardoor de zinnen uit de toon vallen met waarnemingen van een jongetje. Soms schiet zijn beeldende vermogen in de overdrive en moet je constateren dat er vier ‘alsof’-vergelijkingen op één bladzijde staan. Soms vertelt Isik liever dan hij toont, maar van die duidende mededelingen wordt het verhaal wat kleurloos.

Daar staan dan wel weer rauwe, rijke, beklijvende beschrijvingen tegenover die je bij geen andere Nederlandse schrijver aantreft. Zoals deze overdenking, nadat Metin twee heroïnejunks, van wie één een oud voetbalvriendje is, op klaarlichte dag in het openbaar seks zag hebben: ‘Natuurlijk was het bezopen dat Michel dit deed op een plek waar kinderen langs liepen, maar misschien was het wel de laatste keer dat zijn gedoofde oerdrift opleefde, voordat de rest van zijn lichaam ook begon te haperen, en hij koortsig zou wegkwijnen in een stinkend hoekje in het trappenhuis, totdat ambulancebroeders zijn lichaam bij elkaar zouden vegen.’

Meeslepend blijft het vooral omdat Isik de personages goed getroffen heeft, omdat Metin zijn wereld beziet met een groot begrip en inlevingsvermogen. Op dat punt verschilt Wees onzichtbaar ook van een moeilijke-vaderboek als Turis van Özcan Akyol en ook De tolk van Java van Alfred Birney, waar de vader een bruut was en bleef, of van een ruwe-omgevingsboek als Alleen met de goden van Alex Boogers, dat bijna eentonig werd in zijn verbetenheid en sombere tinten. Metin bezit het (wel tragische) vermogen om zijn vader te waarderen als die één dag per jaar, op oudejaarsavond, zijn best doet voor het gezin. En aan het wonen in een krappe Bijlmerflat ontwaart hij ook fijne kanten, bijvoorbeeld in de vorm van de douchegeuren van zijn zus, waar hij ineens in bedwelmende zinnen over schrijft: ‘De lauwwarme sluierregen die dan door ons huis trok en rook naar een indringende combinatie van mango en passievrucht, bevochtigde mijn gezicht en de geur nestelde zich in mijn huid om pas na een paar uur te vervliegen.’

Bekend verhaal

Die veelkantigheid, met nuances die geregeld opduiken (daarin profiteert de roman van zijn lengte), is sterk, het soepel vertelde verhaal houdt het boeiend – ook al zijn de grote lijnen min of meer zoals je die verwacht in een coming-of-age-roman, een tikje voorspelbaar.

Toch denk ik dat juist de ongewone ‘gewoonheid’ de kracht is van Wees onzichtbaar: het vertelt een bekend verhaal, maar dan wel vanuit het nieuwe perspectief van een Turks-Nederlandse jongen in de Bijlmer. Die afkomst speelt niet de hoofdrol, maar doet er wel toe – en op heel veel momenten ook niet. Dat de juf hem op taalbijles stuurt, terwijl hij alleen een grammaticatoets verprutst heeft: ja, dan is hij slachtoffer van vooroordelen over zijn afkomst. Dat (witte) klasgenoten hem uitschelden voor ‘schoonmaker’: ook. Maar Metins onvermogen om daartegen zijn mannetje te staan wijt je meer aan de onzichtbaarheid die zijn vader afdwong, dan aan iets anders. En toch kun je die niet los van zijn positie als ‘allochtoon’ zien – ook dat suggereert de titel.

Die subtiliteiten komen allemaal in deze roman voor, waardoor niet één factor eenduidig Metins identiteit bepaalt. Dat lijkt me een waardevol, literair geluid in het huidige identiteitsdebat. Het maakt Wees onzichtbaar tot een belangrijk boek.