Column

Onderdompeling in fietsbeleid

Het mediacircus rond Velo City kende deze week geen grenzen — via alle kanten kwam de boodschap op je af dat wij met z’n allen heel bijzonder zijn. Nederland is een fietsland zonder weerga waarover antropologen maar niet uitgestudeerd raken. En natuurlijk viel in Nijmegen en Arnhem, waar het internationale congres Velo City dit jaar plaatsvond, de naam van Amsterdam veelvuldig. Zeg je Amsterdam, zeg je fietsen, en fietsbeleid. Daar kan ik nu nog meer over meepraten dan vroeger. Want al die vrolijke plaatjes van politici, burgemeester en de koning op tweewielers lieten onverlet dat de kern van Nederland Fietsland misschien wel veel prozaïscher is.

De kern is bijna lelijk en bevindt zich langs de weg van Amsterdam naar Haarlem. Ik moest daar zijn toen mijn fiets was verwijderd van het Rembrandtplein. Stom van mij – iedereen weet dat er op dat plein streng wordt gehandhaafd, zoals dat heet.

Dus ik de volgende dag met de auto naar het Westelijk Havengebied. Het werd een onderdompeling in ons fietsbeleid.

Zoveel tot achter de komma geregelde beleidsbepalingen aangaande de tweewieler vind je nergens op aarde; kán gewoonweg niet. Is de aanblik van zo’n oceaan aan ‘weggeknipte’ fietsen in de open lucht al indrukwekkend; de ambtenaren die het Fietsdepot bestieren zijn nog veel indrukwekkender. Ze zitten in een kantoortje naast de fietsenoceaan. Niet dat de heren en dames daar zo buitenissig zijn. Integendeel, ze zijn heel normaal en voor hen is alles wat hier gebeurt normaal. Dat is het fascinerende, het voer voor antropologen.

Het Fietsdepot wekt veel weerzin bij Amsterdammers. Vooral bij hen die hier met openbaar vervoer moeten zien te komen. Dat merk je aan de ambtenaren op het depot. Ze zijn erop ingesteld. De massale verwerking van fietsen en gefrustreerde fietsophalers heeft hen immuun gemaakt voor protest en emoties. Het gaat de hele dag door, dan krijg je dat.

De massale verwerking van fietsen en gefrustreerde fietsophalers heeft hen immuun gemaakt voor protest en emoties

Nadat ik mijn wegknipnummer had genoemd, zei een vrouw mechanisch, zonder komma’s: „Dank u wel gaat u even zitten er komt zo iemand bij u.”

Samen met een man stapte ik de oceaan in. Onderweg zei hij zonder mij aan te kijken: „Wat voor kleur heeft ie? Merk? Wat voor slot?” Uiteraard: ik zou een ritselaar kunnen zijn. „Wilt u hem openmaken? Dan kan ik zien dat u de eigenaar bent.” Ik maakte hem open, maar moest vervolgens eerst mijn ID afgeven. Dat voorkwam, nam ik aan, dat ik hem smeerde zonder te betalen. Hoe vaak is dat vroeger, in minder mechanische tijden, gebeurd? Hoeveel cursussen Omgaan met Agressie heeft deze man gevolgd?

Binnen gaf een vrouwelijke ambtenaar college aan een verbaasde fietsophaalster uit Engeland. Ze vertelde dat je nergens ter wereld zoveel fietsen bij elkaar ziet als in Amsterdam en dat dus nergens anders zoveel fietsen worden weggeknipt. En anders worden ze wel gestolen, day and night. De Engelse luisterde geboeid.

Ik betaalde tweeëntwintig euro vijftig. Geen geld eigenlijk voor een kennismaking met iets waarop nodig eens iemand moet promoveren.