Joods dialect

Onlangs verscheen een nieuwe editie van het boek Geschiedenis van de joden in Nederland. De eerste editie, uit 1995, was al een standaardwerk, deze grondig herziene versie is dat ook. Het bevat onder meer een omvangrijk en diepgravend hoofdstuk over joden in naoorlogs Nederland, geschreven door de historicus Bart Wallet.

Ook over de taal die de Asjkenazische joden in Nederland aanvankelijk spraken, het zogenoemde West-Jiddisch, is van alles in dit boek te vinden. Al aan het eind van de 17de eeuw verscheen in Amsterdam een krant in het Jiddisch. Vervolgens werden er ook boeken, romans, toneelstukken en gedichten in het Jiddisch gepubliceerd.

Vanaf het begin van de 19de eeuw werd deze taal echter door de Nederlandse overheid beschouwd als een belangrijk obstakel voor de integratie van joden – de discussies erover vertonen parallellen met hedendaagse debatten over de integratie van vluchtelingen. Ook joodse organisaties beijverden zich om het Jiddisch af te schaffen, dat zij als een onvolwaardige taal beschouwden.

Hoewel er op joodse scholen van alles aan werd gedaan om het gebruik van het Jiddisch te ontmoedigen, bleven veel joden Jiddische woorden en uitdrukkingen gebruiken. Vooral onder arme joden was ook de uitspraak van het Nederlands duidelijk herkenbaar als ‘joods’, iets dat na de Tweede Wereldoorlog (tot afschuw van veel joden) werd uitgevent door onder meer Max Tailleur.

Wat ontbreekt in dit prachtboek is hoe er lang met het joodse dialect de draak is gestoken. Bij mijn weten zijn er tussen grofweg 1850 en 1930 tientallen „luimige” liedjes, sketches en „snaaksche dichtstukjes” verschenen waarin het taalgebruik van joden wordt nagebootst. Ze waren vooral geliefd op bruiloften en partijen. Bij de regieaanwijzingen staan zinnen als: „De voordrager komt binnen met een dikken neus op en een zak over den schouder. Hij spreekt zooveel mogelijk in joodsch dialect.” Meestal imiteerde men arme joodse straathandelaren, maar bijvoorbeeld in ‘Saartje en Levie’ (een ‘Komisch duet voor heer en dame’ uit circa 1900), worden „verwaande, rijke joden” nagespeeld.

Een van de bekendste schrijvers van deze liedjes en sketches was de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman (1806-1863). Halverwege de 19de eeuw had Schenkman, tevens schrijver van een bestseller over Sinterklaas, veel succes met de zogenoemde Levie Zadok-brieven. Het gaat om een serie van dertien pamfletten met humoristisch bedoelde brieven die zogenaamd door een Joods personage (Levie Mozes Zadok) zijn geschreven. Zadok schreef de brieven onder anderen aan zijn memmele (moeder) in de Batavierstraat in Amsterdam en aan zijn vriend ‘Abraham Izaac Langjas’.

De pamfletten hebben titels als ‘Belangrijke Brief van een Amsterdamsche Jood’ en ‘Antwoord van de Weduwe Samuël Zadok’. De Levie Zadok-brieven zijn geschreven in een combinatie van plat-Amsterdams en Joods-Nederlands. Ze becommentariëren diverse (inter)nationale actualiteiten, onder meer de Krimoorlog.

Taalkundig gezien volgen alle auteurs van dergelijke liedjes en sketches, voor zover ik die onder ogen heb gehad, hetzelfde patroon: ze vervangen de B vaak door een P, lassen op allerlei plaatsen een H in en strooien wat bekende Jiddische woorden en joodse uitdrukkingen in het rond, zoals sjofel, mazzel, moos en blijf gezond. Een voorbeeld uit ‘De klagende jood’, een succesvolle sketch over een joodse voddenkoopman uit het eind van de 19de eeuw: „What khan het je dhog scheele as ik moos khan verdhiene! Klheere Khoop!” De bundel waarin deze sketch is opgenomen, is zeker zeven keer herdrukt.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders