Interview

‘In muziek ervaar je eenheid’

Klassiek Hoe typeer je pianist Murray Perahia in één zin? Hij verenigt intellect met emotie, en in zijn Bach-interpretaties zingt een wereld van kennis mee. Hij geeft twee concerten in Nederland.

Foto Felix Broede

Zijn villa ligt een paar metrohaltes buiten het centrum van Londen. Achter een zwaar smeedijzeren hek staat een onopvallend klein autootje, achter de deur staat een onopvallende, kleine man. Murray Perahia (70) observeert zijn bezoek met de nieuwsgierige, afwachtende blik die typerend voor hem is. Hij loopt op sokken en drinkt kamillethee. „Ik houd wel van koffie”, zegt hij. „Maar koffie houdt niet van mij.”

De woonkamer is licht en ruim, met een reuzenboekenkast die een brede smaak weerspiegelt. Boeken over Raspoetin staan erin, naast twee Stalin-biografieën en een History of the Jewish People; Perahia is zelf van joodse komaf, in het Sefardisch betekent zijn naam ‘bloem’. Ook het geborduurde trouwkussentje met de namen van hem en zijn echtgenote valt op („we zijn 37 jaar getrouwd nu, ik had veel geluk.”).

Van alle cd’s die afgelopen jaar verschenen, was de uitvoering van Bachs Franse Suites door Murray Perahia een van de allermooiste – een cd die je steeds weer herbeluistert. Hoewel je het woord ‘mooiste’ in zijn bijzijn niet zou durven gebruiken, omdat je weet dat hij zou aandringen op een preciezere formulering. En inderdaad: ‘mooi’ doet zijn interpretatie maar half recht. Het bijzondere aan Perahia is nou juist dat de serene schoonheid van zijn spel een product is van kennis, jarenlange studie en een niet aflatende nieuwsgierigheid.

Met zijn opname van de Franse Suites heeft Perahia bijna alle werken van Bach vastgelegd. Alleen Das wohltemperierte Klavier ontbreekt nog. „Maar daar werk ik nu aan”, zegt hij met een twinkelblik. „Het is een van mijn grote dromen dat werk tot de bodem te doorgronden.” Uit zijn tas grabbelt hij een A4’tje, het geprinte Eurostar-ticket waarmee hij de avond tevoren na een serie concerten vanuit Parijs naar Londen is teruggereisd. „De trein stond vier uur stil zonder elektriciteit, daardoor had ik de tijd de eerste prelude en fuga uit te zoeken.” Hij wijst de met potlood op het papier gekrabbelde noten aan, en neuriet voor wat er staat: een hermetisch ogende analyse van de muzikale structuur volgens de methode van muziekanalyticus Heinrich Schenker (1868-1935), waarvan Perahia een fervent aanhanger is.

„Schenker leert je waar de muziek naartoe gaat. Een goede uitvoering van een compositie moet mijns inziens altijd berusten op begrip van de wetten die de componisten in hun tijd kenden en hanteerden. Contrapunt volgens de methode van Johann Joseph Fux, harmonieleer – al die technieken zou je als uitvoerende zelf actief moeten beheersen. Daarom interesseren boeken als Mozarts Attwood Papers (weerslag van Thomas Attwoods compositielessen bij Mozart) en het Versuch über die wahre Art das Clavier zu spielen van Carl Philip Emanuel Bach me ook zeer.”

En néé, benadrukt hij, theoretische kennis hindert de zeggingskracht van een uitvoering niet, maar bevordert die. „Als je weet waarom een stuk daar en daar van cis naar d gaat, leer je de lange lijnen zien. Daar gaat het om. Een muziekstuk is een zelfvoorzienend organisme dat je moet leren kennen om het te kunnen omarmen.”

Duimblessure

In 1994 werd Perahia geveld door een duimblessure. Een aantal jaar kon hij niet spelen. Dus deed hij wat hij doet als hij niet speelt: studeren. Hij concentreerde zich op Bach. Onderdeel van het studeren: kopiëren met de hand. „Ik schrijf dan niet elke noot over, hoor”, nuanceert hij. Maar wél de essentie van elke maat. Het samenvattend kopiëren van de Franse Suites kostte hem drie dagen, schat hij. Maar vraag hem nu het verloop schematisch op te schrijven, en hij doet het zó, uit zijn hoofd, of beter: by heart. De muziek is geïnternaliseerd, de drie dagen zeer zinvol besteed.

En dat was pas het begin van de voorbereidingen. Perahia las boeken over de barokke dansvormen („die ik helaas niet heb proefgedanst, nee, want op de dansvloer ben ik onbruikbaar.”) waarop de suites berusten. En hij beluistert dagelijks een van Bachs cantates op cd. „Wanneer je een harmonische analyse maakt van de suites, kun je achterhalen welke koraalmelodieën er grofweg onder zouden passen”, vertelt hij. „Bach bracht in zijn koralen stemmingen tot uitdrukking die bij de teksten pasten. Dus als je weet welk harmonisch verloop past bij welke gemoedstoestand, kleurt dat ook je interpretatie van muziek die puur instrumentaal is.”

Er is nog een reden de cantates te blijven onderzoeken, vindt hij: je vindt er Bachs echte filosofie. „Dat de dood iets is om naartoe te leven, omdat je dan bij God bent. Dat alle mensen zondaren zijn. Dat alle vreugde goddelijk is. Zelfs de toonsoorten hebben hun betekenissen – ook dat was iets waar men toen zeer mee bezig was.” Wat is eigenlijk zijn eigen favoriete toonsoort? „Nee zeg.” Toe? „Nou goed, Es-groot. Een nobele toonsoort, koninklijk.”

Christian Schubart formuleert het in zijn Ideen zu einer Aesthetik der Tonkunst (1806) maar een klein beetje anders. Daar is Es-groot de toonsoort van liefde, devotie en ‘intieme dialoog met God’. Perahia grinnikt om die karakterisering. „Oké. Maar ik ben zelf niet meer praktiserend religieus. Tot mijn vijftiende wél. Toen zong ik ook in het synagogale koor.”

En als hij Bach speelt, gelooft hij wel – in zekere zin. „Bij Beethoven, die net als Bach zelf zeer gelovig was en in alle bevindingen van de Verlichting slechts bewijzen zag voor Zijn Grootheid, heb ik dat ook. Je komt in een andere sfeer. Ik heb erover nagedacht hoe dat werkt. Religie gelooft niet in toeval, maar in redenen. Muziek werkt daadwerkelijk zo. Elke noot heeft een unieke plek in het vertellen van de boodschap, elke noot staat juist daar met een duidelijke reden. In die zin vertoont het gevoel voor eenheid dat je bij muziek kunt ervaren, verwantschap met het gevoel van samenhang dat tekenend is voor religie.”

Klassieken

Op 18 juni geeft Perahia een recital in de serie Meesterpianisten. Het programma moest ten tijde van het interview nog bepaald worden. „Pijnlijk onderwerp!”, zegt hij. „Want ik houd de mogelijkheden graag zo lang mogelijk open. Ik denk dat ik een van Bachs Franse Suites zal combineren met Beethovens Hammerklaviersonate, of opus 110 of 111. En ervoor dan nog Schuberts tweede serie Impromptu’s – in samenhang ook een soort sonate. Een goed recital moet contrast bieden, vind ik. Contrast is de essentie van muziek.”

Perahia’s repertoire is beperkt. De klassieken; Mozart, Haydn, Beethoven. En Bach, veel Bach. Volgens velen ontwikkelde zich juist door die beperking de meesterpianist. „Tonale muziek heeft mijn voorkeur”, vat hij zelf samen. „Ik heb het wel geprobeerd hoor, het spelen van eigentijdse, 20ste- en 21ste-eeuwse muziek. Maar ik snap het niet. En gebrek aan begrip maakt me nerveus. Ik wil niet hoeven gissen naar de logica van een stuk, geen muziek uitvoeren waarvan ik de parameters niet doorgrond. Dat is geen dogma, dat is gewoon zoals ik in elkaar zit.”

De dromen die hij koestert voor de toekomst, zijn in die zin niet verrassend. Naast Bachs Wohltemperierte Klavier gaan ze over Beethovens late sonates. Over Schubert. Over Brahms. Allemaal muziek die hij al eerder gespeeld heeft. „Maar voor het leren kennen van die stukken is één leven niet genoeg”, zegt hij. „Misschien vijf?”

Eén ding is zeker, lacht Perahia, in een volgend leven wordt hij zelf componist. „Dat vind ik jammer, dat ik dat niet ben geworden. Ik heb compositie gestudeerd. Pas toen ik 25 was, werd me duidelijk dat ik pianist zou worden. Voordien deed ik er alles aan me als musicus zo breed mogelijk te ontwikkelen.”

En zelfs toen hij eenmaal voor de piano had gekozen, waren het leermeesters in brede zin die hem vooruithielpen, zegt Perahia. „Voor mijn pianistische ontwikkeling was Mieczysław Horszowski heel belangrijk. En Vladimir Horowitz. Horowitz zei me dat als ik meer dan een virtuoos wilde zijn, ik wel eerst een virtuoos moest worden, haha.”

Zelf geeft hij ook les, maar sporadisch. „Het ligt er niet aan dat ik het niet zou willen, of dat er onvoldoende pianotalent is”, zegt hij. „Maar ik vind jonge pianisten te eenzijdig ontwikkeld. Vaak hebben ze geen onderliggende basis op muziektheoretisch en muziekhistorisch gebied. En die kan ík ze niet meegeven, die kun je je alleen zelf aanleren door de noodzaak daarvan te voelen.

„Wat mij, zonder te willen generaliseren, opvalt aan jonge musici is dat ze zichzelf als uitgangspunt nemen. ‘Ik voel het zo, dus het is waar.’ Maar dat is voor een klassiek musicus nou net níét waar, of in elk geval: niet genoeg. Als je andermans muziek speelt, moet je je in diens emotionele en filosofische context verdiepen, in zijn worstelingen, zijn visies, zijn technieken. Hoe kun je Schubert spelen als je de tekstdichters van zijn liederen niet kent? Zijn achtergrond? Vervolgens wordt je persoonlijke gevoel vanzelf onderdeel van je visie. Want muziek is universeel. Maar gevoel mag nooit het uitgangspunt zijn.”

Murray Perahia. 15/6 Muziekgebouw Eindhoven, 18/6 Concertgebouw Amsterdam.