Er kwamen bussen vol met Bosniërs naar Rotterdam

Op de kop af 25 jaar geleden haalt een Rotterdamse lasser zijn Bosnische familie uit een plots oplaaiende oorlog. Hasan Huremovic stapt in het voorjaar van 1992 in zijn auto, komt met honderden gevluchte Bosniërs terug en zet uiteindelijk de Nederlandse regering voor het blok.

Vluchtelingen vertrekken uit Bosnië, 1992. Foto AFP

‘Lever je wapens in, of we blazen de brug op.” In augustus 1991 strandt Hasan Huremovic, op vakantie in zijn thuisland, met zijn drie jonge zoons in het grensgebied tussen Bosnië en Kroatië. Hij staat met zijn auto op een brug achter drie bussen, waarvan Bosnisch-Servische militairen vermoeden dat er wapens in de laadruimte zitten. De militairen weigeren de bussen door te laten. Pas na zes uur wachten mogen ze verder. Eén van hen hanteert een megafoon en herhaalt keer op keer dezelfde boodschap: wapens inleveren, anders vliegt de brug de lucht in. Een andere soldaat staat nogal triggerhappy klaar met het ontstekingsmechanisme van een lading springstof. Het is bepaald geen loos dreigement, en Huremovic beseft dat maar al te goed.

Hasan Huremovic, moslim, woont en werkt op dat moment al twintig jaar in Rotterdam. In 1987 leert hij zijn vrouw Heleen de Jongh kennen bij het bedrijf waar hij als lasser werkt en zij als schoonmaker. Jaarlijks rijden ze in hun vakanties naar Hasans geboortedorp Bratunac. Nu ligt dat in de Servische Republiek. 25 jaar geleden was dat grensgebied tussen Bosnië en Servië het strijdtoneel waar de onafhankelijkheid van Bosnië-Herzegovina op het hakblok lag. „De sfeer was raar, gespannen”, herinnert Heleen zich. „Er vlogen continu straaljagers over, we zagen veel dronken Serven rondrijden in auto’s.” Na acht dagen breken ze hun vakantie af: te onveilig. Hasan brengt Heleen naar het vliegveld in Belgrado, zelf rijdt hij met zijn zoons, toen 11, 12 en 15 jaar oud, terug naar Nederland.

Diezelfde zonen zitten op die brug in de zomerse hitte op de achterbank van de auto. Naarmate de situatie met de Servische militairen vastdraait in een impasse, raken ze steeds verder in paniek. Na zes lange uren krijgen de Serven wat ze willen en geven de soldaten de brug vrij. “Daarna ben ik in één ruk door naar Nederland gereden.”

Terug in Rotterdam is de ontluikende burgeroorlog in Bosnië nog helemaal geen onderwerp van gesprek. Herfst en winter komen en gaan. Via zijn familie hoort Huremovic hoe de situatie verergert. „Rond Pasen 1992, eind april, had ik mijn moeder aan de telefoon”, zegt Hasan. „Op de achtergrond hoorde ik geweerschoten. Ik zei tegen haar: Als je nu niet vertrekt, kom ik je halen.” Hasans zus, schoonzus en moeder pakken hun koffers, verlaten huis en haard en gaan op weg naar de grens met Hongarije, waar Huremovic ze met de auto oppikt en naar Rotterdam brengt. Amper tien dagen later bevindt hij zich wederom op zijn geboortegrond, dit keer in Zagreb. Het is dan mei 1992, en tegen die tijd is het merendeel van de Bosnische moslims op de vlucht geslagen, verjaagd door çetniks, troepen van nationalist Slobodan Miloševicć en zijn Bosnisch-Servische handlanger Radovan Karadzic die uit zijn op een Groot-Servisch rijk.

‘We leven het goede leven’

Wat tot dan toe ondenkbaar was, wordt dat voorjaar realiteit: van het ene op het andere moment worden vrienden, buurmannen en collega’s elkaars aartsvijanden. De Kroaten en Bosnische moslims in Bosnië-Herzegovina kiezen, in navolging van Slovenië en Kroatië, op 29 februari en 1 maart in een referendum massaal voor onafhankelijkheid en wijzen daarmee aansluiting bij Miloševicć’ Groot-Servië af. De Bosnisch-Servische nationalisten, door Karadzic verenigd in de Servische Republiek Bosnië-Herzegovina, reageren agressief. Ze grijpen op verschillende plekken de macht en openen zo effectief de jacht op Bosnische moslims. „Daarna telde alleen religie en je achternaam nog”, zegt Hadziarapovic. „En dat gebeurde van het ene op het andere moment. Stond je het ene weekend nog met je buurman te barbecuen, het andere weekend stak diezelfde man je huis in brand en joeg hij je weg.”

Stond je het ene weekend nog met je buurman te barbecuen, het andere weekend stak diezelfde man je huis in brand

Enkele weken na het referendum is Hasan in Zagreb omdat hij ‘iets’ wil doen. Nadat hij zijn familie in Rotterdam had afgezet, keert hij per ommegaande terug naar zijn moederland. Er bereiken hem verhalen over de mannen van Bratunac, die zijn opgepakt, ontdaan van hun papieren, vastgezet in een school, gemarteld, en vervolgens te voet op mars gestuurd naar Tuzla om in een grimmige echo van de Arbeitseinsatz loopgraven te graven. „Vechten kan ik niet, maar mensen helpen kan ik wel”, beredeneert hij achteraf zijn aanpak. „En het is hetzelfde als met een muurtje schilderen: als je ergens aan begint, maak je dat af.”

Hasan slaat samen met zijn vriend Sefkija Hadziarapovic aan het regelen. Moslims slapen in Zagreb op straat. De meesten zijn halsoverkop gevlucht en zitten zonder papieren. Die moeten er dus komen, besluit Hasan, en hij betaalt een fotograaf om paspoortfoto’s te maken van honderden Bosniërs. De foto’s en de lijst met namen bewaart hij nog altijd in een verhuisdoos in zijn installatiebedrijf in Sliedrecht.

Hasan en Sefkija regelen twee touringcars en laten hun mensen instappen. Hasan stapt ook in. Sefkija blijft: hij weigert zijn geboortegrond te verlaten. De bussen rijden probleemloos naar Nederland. Er volgen artikelen in de plaatselijke kranten, maar overweldigend is de aandacht niet te noemen. „In die maanden was er hier nauwelijks aandacht voor de oorlog”, zegt Heleen.

Evacuatie van Bosnische burgers in 1993. AFP

Hasan vertrekt weer naar Kroatië en regelt samen met Sefkija wederom foto’s, visa en een bus naar Nederland. Sefkija en zijn gezin besluiten dit keer mee te reizen naar Nederland: hun geld is op, hun toekomst in Zagreb duister. Op 4 juli 1992 arriveert zo weer een bus vol Bosniërs in Nederland. En weer keert Hasan terug. Zijn vrouw Heleen: „Hij was een beetje overmoedig geworden.” Op 26 juli 1992 rijden zes bussen, met daarin ook Kroaten uit de omgeving van Vukovar en Serven die getrouwd waren met moslims, weg uit Zagreb. Het konvooi strandt bij de grens met Slovenië, waar Kroatische grenswachten ze tegenhouden omdat ze niet de juiste papieren hebben.

Het is dan dat Heleen de Jongh telefoon krijgt: het ministerie van Justitie is aan de lijn, in de persoon van Hilbrand Nawijn. Waar denken Heleen en Hasan mee bezig te zijn? „Hij maakte duidelijk dat Nederland niet zat te wachten op die vluchtelingen”, zegt Heleen. „Maar Hasan zat vast aan de grens. Ze konden niet voor- en niet achteruit.” Hasan: „Onder de mensen in de bus brak paniek uit. Sommigen wilden per se terug naar Zagreb. Alles beter dan daar vastzitten. Terwijl de Kroaten tegen mij zeiden: we hangen je op als je teruggaat met die mensen.”

Nawijn herinnert zich het gesprek met Heleen nog. „Huremovic stelde ons voor een fait accompli”, zegt hij. „We vonden hem maar een lastige vent. Nederland had helemaal geen voorzieningen om zo’n grote groep vluchtelingen tegelijk op te nemen. In die tijd was er nog geen Ter Apel en er waren geen asielzoekerscentra groot genoeg om honderden vluchtelingen tegelijk te herbergen. We moesten dan en daar beslissen: gaan we dit regelen? En zo ja, hoe dan?”

Morrende Tweede Kamer

Drie dagen na dat eerste gesprek belt Nawijn weer met Heleen de Jongh. Ja, de overheid gaat het regelen. Het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC), belast met de coördinatie van de opvang voor asielzoekers, werkt hard aan het inrichten van opvangcentra, die groot genoeg zijn om zoveel vluchtelingen tegelijk onderdak te bieden. Eddy Engelsman, destijds directeur Vluchtelingen, Minderheden en Asielzoekers, weet nog goed hoe dat verliep: „Samen met Buitenlandse Zaken heb ik er zelf voor gezorgd dat onze dichtstbijzijnde ambassade, in Wenen, visa voor de mensen in die zes bussen regelde.”

Hasans acties leveren publiciteit op en dat zet flinke druk op de politieke ketel. Op de ministeries van Buitenlandse Zaken, Justitie en WVC heeft koortsachtig overleg plaats. Wat kan de overheid doen voor de op de vlucht geslagen moslims in ex-Joegoslavië? Is opvang in de regio niet veel beter? En hoe stoppen we die Huremovic? BuZa-minister Hans van den Broek (CDA) nodigt Huremovic uit voor een gesprek op het ministerie. Centrale boodschap: Hasan, het is niet handig wat je doet. „Houd je van Bosnië?, vraagt hij aan mij in dat gesprek”, vertelt Hasan. „Ja, antwoord ik, natuurlijk. ‘Waarom help jij die Serven dan? Je maakt Bosnië leeg.’ Maar ik kan die mensen toch niet buiten laten slapen, antwoord ik. Daarop vroeg hij mij: ‘Wil je even stoppen? Dan gaan wij kijken wat we kunnen doen’.”

We kunnen de keuze niet overlaten aan één energieke Bosnische lasser uit Rotterdam

Dat Huremovic bij Van den Broek op audiëntie moet, is ook ingegeven door een morrende Tweede Kamer: dit soort particuliere acties, dat kan niet. Huremovic loopt de officiële instanties voor de voeten. „We kunnen de keuze niet overlaten aan één energieke Bosnische lasser uit Rotterdam”, vat het NOS Journaal de heersende mening in Den Haag samen.

De betrokken ministeries nemen een besluit dat geen precedent kent: ze sturen een delegatie die de situatie ter plekke gaat bekijken. Op 26 augustus 1992 landt een vliegtuig met vertegenwoordigers van Vluchtelingenwerk en het Rode Kruis, en met ambtenaren van Justitie, Buitenlandse Zaken en WVC op het vliegveld van Zagreb. Om meteen vol de oorlog in gesleurd te worden.

Bosnische burgeroorlog

Het referendum waarin op 29 februari en 1 maart 1992 de Bosnische Kroaten en Bosnische moslims in grote meerderheid voor onafhankelijkheid stemmen, luidt het begin van de Bosnische burgeroorlog in. Nadat in maart 1992 de Bosnische president Izetbegovic Bosnië-Herzegovina onafhankelijk verklaart, breken in Sarajevo gevechten uit tussen Serviërs, Kroaten en Bosnische moslims. Van de 100.000 doden, die tijdens de burgeroorlog vallen, zijn er 60.000 Bosnische moslims. Van hen werd 60 procent van hun geboortegrond verdreven. De Bosnische burgeroorlog eindigt pas met de val van Srebrenica in 1995, als de NAVO met grof geschut ingrijpt. In de Dayton-akkoorden, die daarna onder leiding van de Amerikaanse president Bill Clinton gesloten worden, wordt Bosnië verdeeld in een Servische Republiek en een Federatie van Bosnië-Herzegovina.