Column

Zonder obsessie ben je verloren

Joyce Roodnat

Hoeveel moeite ze ook doen om Martin Scorsese af te schilderen als iemand die heus wel films over vrouwen maakt, ik zie het niet. En het maakt me niet uit. Je kunt niet alles hebben. Hij is op zijn best met films over zichzelf overschreeuwende jongensmannen. En daarvoor ontlokte hij onvergetelijke rollen aan acteurs als Robert De Niro en Leonardo DiCaprio. En vlak Harvey Keitel niet uit. In filmmuseum Eye, waar dezer maanden een, naar mijn zin al te studieuze expositie over Scorsese te zien is (met veel scripts en storyboards), worden óók al zijn films geprogrammeerd. Daardoor kan ik eindelijk zijn eersteling zien: Who’s That Knocking At My Door, uit 1967.

Zwart-wit, autobiografisch. Katholiek. Little Italy. En met Harvey Keitel in zijn eerste filmrol. Scorsese scant hem met zijn camera. Hij is geobsedeerd door zijn verlegen lachje, zijn lijf, zijn wenkbrauwen. Onbeschroomd eigent hij zich Keitel toe. Hij is wég van hem, hij zou hem willen zijn. Dat werkt als een magneet. Het tilt de film een niveau hoger.

Was Ivo van Hove nou maar een beetje net zo weg geweest van Jude Law toen hij hem regisseerde in Obsession.

Ik verheug me daarop. Jude Law bewonder ik en daarbij is hij snoep voor de ogen. Bovendien baseerde wonderregisseur Van Hove deze voorstelling op de film Ossessione (1943) – het meesterlijke filmdebuut van Luchino Visconti.

Ik zit in de zaal in de verwachting dat dit niet kan missen. Maar het mist wel. Onwillig, en met stijgende verbazing dringt het besef door dat ik naar een bleke voorstelling kijk. Natuurlijk, het is leuk om Jude Law in het echt te zien. Maar zijn stem breekt wel erg makkelijk als het dramatisch wordt; en zijn lichaam verstrengelt zich geposeerd met dat van tegenspeelster Halina Reijn. Hij vlamt niet. Dat zou wel moeten, want hij speelt een vagebond die verstrikt raakt in een amour fou. Maar Van Hoves regie laat niks zinderen. Het is of hij zijn acteurs voor kennisgeving aanneemt.

Terwijl ik het stuk uitzit, voel ik me of iemand een verhaal vertelt over iets waar ik ook bij was. En dat ik almaar denk: nee, zo wás het niet. Of idealiseer ik de film? Ik kom thuis en duw hem in de dvd-speler. In een armoedige plattelandstrattoria wisselen een man en een vrouw een blik – alles wat er gaat gebeuren, volgt uit dat ene beeld. Hun banale dialogen vervullen een bijrol, wat Visconti toont geeft de doorslag.

Ivo van Hove creëerde geen theatraal antwoord op de film, hij verwarde een filmscenario met een toneelstuk. Nihilisme d’ruit, romantiek d’rin. Melodrama wordt pathos.

Van Hoves stuk gaat over mislukte hartstocht. Sneu.

Visconti’s film gaat over eenzaamheid. Pijn.