Van bijna niets naar grote taal en effecten

Oerol verslag #5 (slot)

Voorstellingen op Oerol zijn er in het groot en in het klein. De installatie Nous sommes neigt naar het bijna niets. is groot van taal.

Scenebeeld Lek. Foto Edwin Smits

Theater op Oerol loopt van het kleine naar het grote gebaar. Naar het bijna niets neigt het gezelschap Same same but different dat de installatie Nous sommes combineert met de performance Demain.

In een boerenschuur bevindt zich de installatie van witte gewaden en lakens over meubelen, een bed, witte linten en frutsels. Daar mag het publiek doorheen lopen, alsof het moderne kunst zou zijn. Er zijn twee vrouwen, ook in het wit, waarvan er één zingt. Dan moet het publiek weer gaan zitten, en doet het duo een Christootje: de een pakt de ander in met bruin pakpapier. Langzaam en zorgvuldig, ook het hoofd. De technicus laat er flarden van allerhande geluiden en muziek bij horen, van kerkklokken tot een muziekdoos. Daarna scheurt de inpakster het papier weer open. Er volgen nog twee zacht gezongen liedjes in het Engels en Frans en dan is deze voorstelling klaar. In een aangrenzende schuur loeien de schapen. Gelijk hebben ze.

Bot, Lek.
Foto Cyril Wermers

Boerderijgeur

Ook bij Lek van muziektheatergezelschap Bot hangen er witte lakens over de instrumenten en geurt het maximaal naar boerderij. Maar bij deze publieksfavorieten van Oerol is alles gericht op grote effecten. Kenmerkend voor hun stijl is dat ze niet zomaar op bekkens slaan, maar dan zes van die bekkens achter elkaar op de grond gooien. Dat klinkt anders en het ziet er theatraler uit.

Onder de lakens komen de meest bizarre, zelfgemaakte machines tevoorschijn, waar muziek uit blijkt te komen. Elk lied duikt er weer een nieuw bouwwerk op: een machinaal bespeelde cello, een zelf lopend looprek, een soort typemachine en een drum op een vuilemmer. Het is een pandemonium, vernuftig en creatief in elkaar geknutseld, dat een verwachtingsvolle sfeer van magische machines en theaterwonderen oproept.

Al die tikjes en knallen zorgen voor een stevige, ritmische bodem, waaroverheen piano en blaasinstrumenten worden gevlijd. Gevoegd bij de met rauw-hese stem gezongen onheilszwangere teksten van zanger Job van Gorkum ontstaat een onstuimige variant van nederblues. “Zand erover, zand erover, over mij”, zingt hij. Lek is een geoliede muziekshow, die helaas na drie kwartier al weer voorbij is.

Groot van taal is Onder het Melkwoud, dat in een stuk duinheide wordt opgevoerd door Afslag Eindhoven. Dit hoorspel van dichter Dylan Thomas uit 1957 is meer vloeiende poëzie dan theater, maar regisseur Yvonne van Beukering probeert er leven in te krijgen door de combinatie van vertellers, gespeelde scènes en wat muziek. Dat lukt deels, door de energieke speelwijze van de acteurs en de soepele afwisseling in de vele dubbelrollen.

Afslag Eindhoven, Onder het Melkwoud.
Foto Moon Saris

Zelfverliefde zinnen

In Onder het Melkwoud vertelt Thomas in bloemrijke taal over de verlangens en liefdes van een stoet bewoners van een havenstadje. Er zijn onder meer een man die zijn vrouw wil vergiftigen, de eigenaar van een café die tevergeefs op de lerares jaagt en een stoffenverkoper die de vrouw van zijn dromen bemint, maar de zaken slecht ziet gaan.

De nacht is ‘zeezwart’, het is stil ‘als de dood’ en de zee ‘ligt, likt en luilakt’. De zeeman zegt tegen een vrouw: ‘Laat me schipbreuk lijden tussen je dijen.’ In de vertaling van Hugo Claus weet Thomas even vaak met zijn weelderige beelden te bekoren als af te stoten door zelfverliefde zinnen en in roomboter gebakken metaforen.

De acteurs weren zich kranig, maar krijgen niet voortdurend de juiste melodie en het gepaste ritme in de zinnen. Soms is het zoeken en razen ze op goed geluk door. Dat de taal onvoldoende swingt en piept maakt dat deze versie van Onder het Melkwoud toch een wat statisch geval blijft.