Column

Pluimstrijkers rond Trump

Het zag eruit als een sketch in een satirisch programma, maar het was de bizarre werkelijkheid: president Trump die zich maandag, voorafgaand aan het kabinetsberaad, lof laat toezwaaien door álle leden van zijn kabinet. De camera’s mochten het vastleggen voordat de deuren gesloten werden.

Het was me al eerder opgevallen hoe graag Trump zich in het openbaar allerlei vleierijen laat welgevallen. Hij heeft dat gemeen met de meeste dictatoren, Hitler en Stalin voorop. Ik wil hem verder niet met hen vergelijken, maar toch denk ik weleens dat hij in het verkeerde land en in het verkeerde tijdperk is geboren. Hij geniet zichtbaar van al dat onderdanige vertoon, maar hij heeft de pech dat hij groot is geworden in een nog altijd democratisch land, waar ze zijn zwakheden openlijk durven te bespotten. Een echte dictator zou wel raad weten met zulke grappenmakers.

De grootste kwijlebabbel in het gevolg van Trump is vicepresident Mike Pence. Enkele weken geleden zagen we hem al kwispelen toen hij een persconferentie van de president inleidde. Pence vleide zijn baas als een minnaar die zich uitslooft voor zijn nieuwste geliefde. Het was een voorrecht hem te dienen, deze sterke leider met zijn zeldzame capaciteiten. Et cetera.

Trump maakte er maandag een rondje wederzijdse bewondering van.

Trump maakte er maandag een rondje wederzijdse bewondering van. In zijn korte inleiding prees hij „de beste mensen van het land” die samen een „fenomenaal team” rond zijn tafel vormden. Tegelijkertijd feliciteerde hij zichzelf als een van de meest productieve presidenten in de Amerikaanse geschiedenis, vergelijkbaar met Franklin D. Roosevelt.

Toen mochten de jongens en meisjes van de groep hun akela bejubelen. En wie was de eerste? Mike natuurlijk. „Het is het grootste voorrecht van mijn leven”, begon hij, „om te dienen als vicepresident van de president die doet wat hij het Amerikaanse volk beloofde.”

„Ik ben bevoorrecht en zeer vereerd en ik wil u bedanken voor uw toewijding aan de Amerikaanse arbeiders”, zei Alexander Acosta, minister van Werkgelegenheid. „Ze houden van u”, zei Sonny Perdue, de minister van Landbouw, die net uit Mississippi terugkwam en hem ook nog feliciteerde met „de mannen en vrouwen die hij rond deze tafel had verzameld”. Steve Mnuchin, de minister van Financiën, combineerde twee complimenten: „Het was een grote eer met u het afgelopen jaar door het land te reizen, en een nog grotere eer om hier in uw kabinet te dienen.”

Reince Priebus, de stafchef van het Witte Huis, zag zijn kans schoon om zijn wankele positie te verbeteren: „Wij danken u voor de gelegenheid en de zegen om uw agenda te dienen.”

Af en toe gromde Trump een complimentje terug: „Goed werk”, tegen Scott Pruitt, de baas van de milieudienst EPA, en „Erg goed, Daniel” tegen Dan Coats, directeur van de nationale inlichtingendiensten.

Ja, een lachwekkende bijeenkomst, maar tegelijk ook een verontrustende. Want hoe onzeker is een leider die zoveel geregisseerde pluimstrijkerij nodig heeft om zijn positie te versterken? En wat valt er voor tegenspraak te verwachten van de pluimstrijkers wanneer de president in zijn diepe onzekerheid de krankzinnigste voorstellen doet en de gevaarlijkste maatregelen neemt? Dan zou ons weleens het lachen kunnen vergaan.