Groene energie? Burgum vreest voor stinkende kadavers

Energierevolutie

Voor Tytsjerksteradiel is toerisme een belangrijke inkomstenbron. De komst van een biovergister stuit op protest van omwonenden.

Eerst ga je door het natuurgebied, dan over een houten wandelpad naar een uitkijkpunt en daar zie je hem liggen: de centrale van energiebedrijf Engie aan het Burgumermeer. Een vierkante betonnen kolos in de natuur. Franke Atsma uit Burgum wijst vanaf het plateau naar het meer. „Prachtig is het hier, hè? Zie je die futen en die zilverreigers?”

En dan wijst hij naar de energiecentrale. Daarnaast moet binnenkort nog een groot gebouw verrijzen: een vergistingsinstallatie om biogas te winnen uit mest en restproducten. „Een onzalig plan”, zegt Atsma. „Aan de rand van een natuurgebied nota bene en bij een jachthaven, een camping en een recreatiepark. Dat moet je als gemeente niet willen.”

Energierevolutie

Aan de biovergister kun je zien hoe de groene-energierevolutie het Nederlandse landschap aan het veranderen is. Verspreid over het land staan er inmiddels zo’n 130. Energiesector, intensieve veehouderij en banken zien het ‘groene gas’ als een alternatief voor fossiele energie. Duurzaam, milieuvriendelijk. En toch wekt de opkomst van de groene industrie geregeld ook protest, onder meer uit angst voor stank.

Burgum vreest bovendien voor schade aan het toerisme. Atsma, die de lokale boekwinkel drijft, heeft een actiecomité opgericht. Dat demonstreerde onlangs bij het gemeentehuis van Tytsjerksteradiel, waar Burgum deel van is, en haalde 650 handtekeningen tegen de vergister op.

Burgum ligt in een watersportgebied en in de Noardlike Fryske Wâlden. In dit Nationaal Landschap zit niemand te wachten op een biovergister, stelt Geesje Duursma van restaurant De Pleats in Burgum. „We hebben hier bos en water, mooie fiets- en wandelpaden, bungalowparken en veel kleinschalig toerisme.” En toerisme is belangrijk in Noordoost-Friesland. „Daar moeten we het van hebben. Zeker als krimpgebied, waar de bevolking daalt.”

Maar Burgum is ook voor energiebedrijf Engie een ideale locatie: er is plek genoeg voor de installatie die straks 100.000 ton biomassa per jaar moet vergisten, een drijvend zonnepark met 20.000 panelen en een lng-laadstation waar binnenschepen en vrachtauto’s vloeibaar gas kunnen gaan tanken. De gasgestookte energiecentrale van Engie, die er in 1972 in bedrijf ging, fungeert nu alleen nog als achtervang, wanneer elders een centrale uitvalt of bij een piek in de energievraag.

Engie verzekert dat je een moderne vergister bijna niet ruikt. Klopt dat? Wetenschapper Josette Jacobs van de Wageningen Universiteit deed in 2010 onderzoek naar een geplande biovergister in Aalten. Niet de vergister zelf zal geuroverlast geven, zegt ze: „Die heeft een gesloten systeem.” Maar de opslag van bijproducten wel. „Die kunnen behoorlijk gaan stinken.” Jacobs begrijpt de zorgen in Burgum heel goed, zegt ze. „Het aan- en afrijden van vrachtauto’s met mest in het gebied maakt het ook minder aantrekkelijk voor toeristen.”

Doorgedraaide hondenbrokken

Bastiaan Faber, beheerder van Recreatiepark Zwartkruis in Burgum, is somber. Zijn park ligt op een paar honderd meter van de geplande vergister. Hij voorspelt dat de „smerige, zure geur” van opgeslagen materiaal toeristen zal verjagen: „In de vergister gaat niet alleen bermgras, maar ook bijproducten als doorgedraaide hondenbrokken en beenmerg. Dat gaat enorm meuren als het buiten onder een zeiltje ligt.” Zuidwestenwind drijft die stank over zijn park. „Wekelijks komen hier 800 tot 1.000 gasten en we hebben uitbreidingsplannen. Maar als die vergister er staat, zullen mensen hier niet zo snel een vakantiehuisje kopen of huren.”

Engie onderstreept dat er in de betonnen silo’s straks alleen gras en suikerbiet ligt. „Dat gaat niet rotten, want dan loop je het proces van vergisting mis”, zegt de woordvoerder. En er worden beslist geen kadavers, beenmerg of hondenbrokken vergist.

Actieleider Atsma heeft daar weinig vertrouwen in. Hij schermt met een rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit uit 2013. Daarin staat dat er „voldoende aanleiding” is aan te nemen „dat verontreinigde organische reststoffen worden weggemengd onder de noemer co-materialen.” Handelaren maken misbruik van „het versnipperde toezicht”, handhaving van de regels is arbeidsintensief en kostbaar.