Onze fietscultuur is niet zo eenvoudig te exporteren

Fietscongres

Het zijn uiterst specifieke omstandigheden die Nederland tot fietsland hebben gemaakt. Het had zomaar anders gekund.

Koning Willem-Alexander op de fiets bij de opening van het internationaal fietscongres Velo-city 2017 in Nijmegen. Foto Robin Utrecht/ANP

De grootste fout die Nederlanders kunnen maken als het om fietsen gaat, is denken dat andere landen net zo gemakkelijk aan het fietsen te krijgen zijn als Nederland. „Zo gemakkelijk is dat namelijk niet”, zegt de Amerikaanse hoogleraar Kevin Krizec, de afgelopen drie jaar werkzaam als fietsprofessor in Nijmegen.

Afgevaardigden uit tachtig landen zijn deze week neergestreken in Arnhem en Nijmegen, voor het internationale congres Velo-city over fietsen en fietsbeleid, een jaarlijks evenement dat in steeds wisselende wereldsteden wordt georganiseerd door de European Cyclists’ Federation.

Duizend kilometer per jaar

De deelnemers – veelal beleidsmakers, ambtenaren, wetenschappers en werknemers van bedrijven en maatschappelijke organisaties – worden overladen met succesverhalen. Dat in Nederland een kwart van alle verplaatsingen per fiets gebeurt. Dat fietsers gemiddeld duizend kilometer per jaar afleggen. Dat er meer fietsen zijn dan inwoners, ruim 22 miljoen, en dat dit aantal steeds is gegroeid.

Wat de vijftienhonderd deelnemers breed uitgemeten krijgen, zijn de eindeloze voordelen. Fietsen is goedkoop. Fietsen is gezond omdat je in beweging bent én je tijdens het rijden je cognitieve functies traint, zoals bewegingswetenschappers en psychologen vertellen. Fietsen versterkt ook het gemeenschapsgevoel, zeggen deskundigen. Je ontmoet en groet elkaar en maakt nog eens een praatje.

En het versterkt, aldus hoogleraar sociologie Giselinde Kuipers van de Universiteit van Amsterdam in een film, het „egalitaire ethos”; door te fietsen, zoals leden van de koninklijke familie, de premier en de informateur graag laten zien, geef je te kennen dat je je heus niet laat voorstaan op je aanzien of welvaart.

Koning Willem-Alexander op de fiets bij de opening van het internationaal fietscongres Velo-city 2017. Foto Robin Utrecht/ANP

Het versterkt gevoelens van „autonomie, geluk en vrijheid”, stelt Marco te Brömmelstroet, hoogleraar stedelijke planning en directeur van het Urban Cycling Institute van de UvA.

Compacte steden

Maar of deze fietscultuur eenvoudig te exporteren valt, dat staat te bezien. Het zijn uiterst specifieke omstandigheden die Nederland tot fietsland hebben gemaakt. Historisch gegroeide omstandigheden, die bovendien lokaal sterk verschillen.

Het is de beschikbaarheid van compacte steden, Amsterdam en Utrecht voorop, die maken dat fietsen voor de hand ligt. „De stedelijke inrichting, zoals de nabijheid van bestemmingen, bepaalt de toegankelijkheid per fiets”, zegt fietsprofessor Krizec. Deze stedelijke inrichting laat zich niet eenvoudig exporteren.

Behalve de nabijheid van bestemmingen bepaalt ook de mate van „weerstand” tegen fietsen het fietsgebruik. Is het wel veilig? Zijn er goede fietsen beschikbaar? Mooie fietspaden? En: kun je je vertonen met een fiets? In veel landen wordt de fiets beschouwd als iets armoedigs, een vervoermiddel voor de lagere klasse.

Een demo met een crossfiets tijdens de opening van het internationaal fietscongres Velo-city 2017. Foto Robin Utrecht/ANP

Wie de bevolking op de fiets wil krijgen, moet beleid maken. Weerstand tegen andere vormen van mobiliteit verhogen, bijvoorbeeld door hoge parkeertarieven voor auto’s in binnensteden. En weerstand tegen fietsen verlagen. Zoals zorgen voor veel treinen die vertrekken van stations die per fiets goed bereikbaar zijn.

Fietsen met winterbanden

Elk land vraagt om eigen fietsmaatregelen. In de Noorse hoofdstad Oslo wordt ’s zomers best veel gefietst, vertelt fietsambtenaar Helle Beer Urheim op het congres. „Maar ’s winters niet.” Inwoners vinden gladde en soms besneeuwde straten gevaarlijk. De gemeente besloot winterbanden uit te delen. Het werd een succes. „Tot onze grote verrassing bleef bijna 60 procent van alle mensen met winterbanden de hele winter fietsen.”

Wat helpt, is een „sociale beweging” die het fietsen onder de aandacht brengt, stelt Ruth Oldenziel, hoogleraar technische geschiedenis in Eindhoven, die onderzoek deed naar het fietsbeleid van veertien steden in de wereld. In de eerste helft van de vorige eeuw, vertelt ze, was fietsen behoorlijk populair. Totdat de steden werden klaargestoomd voor de opmars van de auto. Wat zou er zijn gebeurd als er begin jaren zeventig geen sociale beweging was opgekomen die de fiets op het schild had gehesen? „Inmiddels hebben fietsen de plaats van de auto overgenomen.”

Nog een gevaar: „In onze infrastructuur, inrichting, financieringsmodellen en publiek debat gaat het vaak over fietsen in dezelfde termen als auto’s, terwijl het iets radicaal anders is”, stelt Marco te Brömmelstroet. De opkomst van de e-bike vindt hij „interessant, maar ook een stapje om van de fiets weer iets meer een auto te maken.” En pas ook op met die prachtige brede en snelle fietspaden, zegt fietsprofessor Krizec. „Dat trekt gemotoriseerd verkeer aan.”