Geen moslim durft terug naar Fugana

Radicale Hindoes India Vier jaar geleden vluchtten Indiase moslims uit het dorp Fugana vanwege moord en toenemend geweld. Een terugkeer lijkt door de politieke hindoeradicalisering verder weg dan ooit.

Op de eerste vrijdag van de ramadan bidden tientallen moslims in de Vasi Ullah-moskee in Allahabad, in het zuiden van de Indiase deelstaat Uttar Pradesh. Foto Sanjay Kanojia/AFP

Al vroeg in de ochtend klinkt midden in de velden van de Indiase deelstaat Uttar Pradesh het geschraap van baksteen langs baksteen, en het gehijg van sjouwers die specie, houten balken en stenen aanvoeren. Halverwege de middag zal het werk stoppen. Dan is het te heet om nog zonder beschutting tegen de moorddadige zon muurtjes en vloeren aan te leggen.

„Hier hebben we meer dan drie jaar op moeten wachten. Eindelijk kunnen we weer onze eigen veilige huizen bouwen”, zegt Shan Muhammad. In de weilanden om ons heen staan dicht bij elkaar nog de geïmproviseerde tenten, opgetrokken uit bamboestokken, plastic zeilen en grauwe doeken. Ruim drieënhalf jaar lang vormden ze de schamele onderkomens waarmee de gevluchte moslimfamilies, die hier in augustus 2013 neerstreken, het moesten doen. De grond waarop de vluchtelingen, zo’n 400 mensen, hun nieuwe huisjes bouwen, is volgens Shan Muhammad „veilig”, want het ligt bij het uitsluitend door moslims bewoonde dorpje Loi.

Al sinds 1947, toen de Britten zich terugtrokken uit hun reusachtige kolonie Brits-Indië, leiden sociale en religieuze tegenstellingen tussen hindoes en moslims zo nu en dan tot bloedbaden. Moslims vertrokken naar Pakistan, achterblijvers probeerden in harmonie te leven met hun hindoeburen. Dat gaat goed totdat politici in beide kampen de vuurtjes weer opstoken – vaak rond verkiezingen in India’s gedecentraliseerde systeem: een op Britse leest geschoeid districtenstelsel.

Fugana was een van de dorpen waar dat gebeurde in 2013, in de aanloop naar de parlementsverkiezingen in 2014, die de hindoe-chauvinistische BJP-partij van premier Narendra Modi de macht opleverde. Tot hun vlucht vier jaar geleden woonden deze moslimfamilies in het dorp Fugana, op nog geen twee kilometer van hun nieuwe woonplaats Loi.

In Fugana maakten moslims een kwart van de bevolking uit. De rest van de bewoners bestond uit Jats, een hindoeïstische, agrarische gemeenschap. Deelstaat Uttar Pradesh is een van de gebieden waar het makkelijk misgaat tussen hindoes en moslims. Daar bestaat ongeveer eenvijfde van de 220 miljoen inwoners uit moslims en de rest voornamelijk uit hindoes.

In heel India vormen moslims een aanzienlijke minderheid met zo’n 180 miljoen gelovigen op in totaal zo’n 1,3 miljard Indiërs. Vooral op het platteland vinden veel hindoes dat India van hen is, en dat moslims, als ze iets te klagen hebben, maar moeten verhuizen naar het islamitische buurland Pakistan.

Vlam in de pan

Eind augustus 2013 ontstonden gevechten in de stad Muzaffarnagar, niet ver van Fugana, tussen jongeren uit de hindoe-Jat-gemeenschap en moslims. De aanleiding: de dood van een moslimjongen die zou zijn vermoord door twee hindoebroers omdat hij een vrouwelijk familielid van hen lastigviel. Toen de hindoebroers op hun beurt werden gelyncht door een menigte moslims, sloeg in de dorpen rond Muzaffarnagar de vlam in de pan.

„Onze Jat-buren bezochten een bijeenkomst buiten het dorp, met politici. Toen ze ’s nachts terugkwamen, vielen ze ons aan”, zegt Shan Muhammad, die zelf ook vluchtte met zijn gezin. Volgens de politie trok een menigte hindoes bewapend met zwaarden, stokken en enkele vuurwapens door het dorp. In Fugana en omgeving vielen zestien doden. Zes vrouwen uit het dorp deden aangifte van groepsverkrachting. Wekenlang laaide het geweld op, ondanks de inzet van het leger. Uiteindelijk vielen in het gebied rond Muzaffarnagar 62 doden, van wie 42 moslims. Meer dan 50 duizend mensen, vooral moslims, werden dakloos.

Ondanks verzoeningspogingen durfde niet één van de gevluchte families naar Fugana terug te keren. En nu, met de bouw van de nieuwe huisjes, is die optie definitief door de moslimfamilies aan de kant geschoven.

Supermacht

Shan Muhammad heeft ons meegetroond naar zijn eigen huis in aanbouw. Het is al vrijwel voltooid en omringd door een muur met een stalen deur. Buren en kinderen die ons volgen worden naar buiten gejaagd. De deur gaat op slot.

„We zijn nu banger dan in 2013. Onder de nieuwe regering kunnen moslims niet meer zijn wie ze willen zijn.” Het was de hindoe-nationalistische BJP van Modi die in augustus 2013 de gemoederen van de Jats opstookte, zegt Muhammad. „Vóór het geweld wilde niemand in Fugana BJP stemmen. Daarna stemden alle hindoes in het dorp BJP. Uit angst voor ons moslims. Zo is die partij in 2014 aan de macht gekomen”, zegt hij.

De BJP maakt sinds de verkiezingen in mei 2014, die Narendra Modi het nationale premierschap brachten, furore met een mengsel van radicaal hindoeïsme, nationalisme en de economische verheffing van de armen tot meerdere eer en glorie van India’s gewenste status van mondiale ‘supermacht’. Premier Modi blijft zeggen dat hij premier is van alle Indiërs, maar sommige van zijn ministers en vooral het goed georganiseerde radicaal-hindoeïstische deel van de achterban van de BJP, uiten zich geregeld negatief over de moslims in India.

In maart van dit jaar behaalde de partij een ongeëvenaarde verkiezingsoverwinning in Uttar Pradesh. Daar boezemt de nieuwe regering de moslims vooral angst in, omdat hij wordt geleid door ‘Yogi’ Adityanath. Hij werd eind maart tot ontsteltenis van gematigde hindoes, religieuze minderheden en liberale intellectuelen benoemd tot deelstaatpremier door Modi’s BJP-partij. In 2007 had hem namelijk nog vervolging boven het hoofd gehangen voor het aanstichten van geweld tegen moslims door zijn radicale hindoeïstische jongerenbeweging Hindu Yuva Vahini in het district Gorakhpur, waar zijn tempel staat. Daarbij werden moskeën en huizen van moslims in brand gestoken.

Familieleden van Ghulam Muhammad rouwen om zijn dood: Muhammad, een moslim, zou zijn vermoord door leden van een hindoemilitie. De politie heeft drie verdachten opgepakt. Foto Altaf Qadri/AP

Tijdens de Gorakhpur-rellen werd Adityanath gearresteerd en twee weken gevangengezet. In mei werd duidelijk hoe onschendbaar Adityanaths premierschap hem maakt. Zijn eigen regering verbood de voortzetting van het proces over de zaak. Maar nog altijd circuleert zijn radicalisme openlijk op internet. In een ongedateerd filmpje spreekt hij een menigte toe. „Als zij ook maar één hindoe doden, dan zullen wij honderd moslims …” Hij pauzeert, zijn publiek vult schreeuwend aan: „doden!” In een interview in 2009 zegt Adityanath:

„Als ik spreek luisteren duizenden. Als ik ze vraag onze hindoecultuur te beschermen, gehoorzamen ze. Als ik vraag om bloed, geven ze me bloed.”

Maar dat was jaren geleden. Sinds zijn aanstelling als premier heeft Adityanath nog geen onvertogen woord over moslims gezegd. Hij lijkt zich te houden aan Modi’s gebod dat sociaal-economische ontwikkeling op de eerste plaats komt.

Shan Muhammad ziet dat anders. „Hij heeft slachthuizen en slagerijen laten sluiten. Veel van ons werken in de vleesindustrie, en zijn nu werkloos.” Ook zijn de vleesprijzen gestegen, vertelt hij. „Veel hindoes eten geen vlees, maar vlees hoort bij onze moslimtraditie, en de ramadan komt eraan. Deze regering wil een einde maken aan de islam, en aan de moslims.”

Hindoeradicalisme

Anderhalve kilometer verderop, in Fugana, is een straatje dat nog altijd ‘het moslimweggetje’ wordt genoemd. Er staat een groepje lege, half overwoekerde huizen – „moslimwoningen”, vertelt Ram Niwas, de beheerder van Fugana’s theestalletje. Een van de huizen doet dienst als stal, ironisch genoeg voor koeien: die hebben een heilige status voor veel hindoes, maar vormden voorheen de belangrijkste bron van goedkoop vlees voor moslims. Zij kochten rond het offerfeest oude, economisch waardeloze koeien en stieren van hindoeboeren voor de slacht.

Met de politieke opkomst van het hindoeradicalisme lopen moslims de kans gelyncht te worden als ze zich met koeien inlaten. Volgens Human Rights Watch hebben fanatieke hindoes om die reden sinds mei 2015 al minstens tien moslims gedood, inclusief een 12-jarige jongen.

„We zullen onze moslimburen verwelkomen als ze terugkeren”, zegt de theeverkoper. Hij lacht als een oorwurm. Over de groepsverkrachtingen en het geweld weet hij niets, zegt hij. „Er zijn dorpsgenoten gearresteerd, maar we vinden allemaal dat ze onschuldig zijn. De rechtszaken lopen nog steeds.”

Bij de moskee hangt Rohit Kumar (21) rond met een groepje vrienden. „Wij zijn heel blij met Yogi Adityanath”, zegt hij.

„Vorige regeringen hielden de moslims altijd de hand boven het hoofd. Maar wij zijn in de meerderheid, en nu is het de beurt aan ons hindoes.”

In Loi pulkt Shan Muhammad aan zijn tuniek. „Vijf generaties van mijn familie woonde in Fugana. We oogstten het suikerriet op het land van de Jats. We waren vrienden, we bezochten elkaars religieuze festivals en huwelijken. Wie wil er niet terug naar zijn geboortegrond? Sinds we zijn gevlucht hebben de meesten van ons geen werk meer.”

Sommigen proberen zich uit wanhoop te laten inhuren als landarbeider door hun voormalige vrienden. Het lukt zelden. „De meesten van ons vinden dat we beter gescheiden kunnen blijven”, zegt hij.

Lees over Hindoeradicalisme ook: Moeder Koe is een politiek dier geworden

Compensatie

Veel van de gevluchte families in Loi kregen 500.000 roepies compensatie (zo’n 7000 euro). In een van de tenten die nog in Loi staan woont Hasina, een vrouw van 40. Zij gebruikte al het compensatiegeld om haar vijf dochters uit te huwelijken en hun bruidsschat te betalen. „Zij wonen nu bij de familie van hun echtgenoten ver van hier. Mijn man en ik blijven in de tent wonen.” Ze zit met wat buurvrouwen onder een boom. Naast hen liggen de buffels en geiten die hun bron van inkomsten vormen. In haar tent staat geen meubilair. Koken doet ze buiten, voor de ingang, op een zelfgemaakt houtfornuisje van gedroogde klei en steen.

Het compensatiegeld is niet genoeg voor een nieuw huis. De families die nu aan het bouwen zijn, wisten een groot deel van hun compensatie te bewaren. Tezamen met de bijdrage die elk gezin in Loi krijgt uit een islamitisch fonds met religieuze zakat-giften van moslims uit andere delen van India, is er na ruim drie jaar sparen net genoeg geld voor bouwmaterialen. „Onze huizen in Fugana waren veel mooier, groter en steviger”, zegt Shan Muhammad. „Maar samenleven met de hindoe-Jats, dat gaat niet meer.”