Column

Een tranenpad van 900 mijl lopen

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: een Cherokee in Princeton.

Tekening Eliane Gerrits

Ik ben op bezoek bij Chance Fletcher, een derdejaars student in Princeton uit Oologah, Oklahoma. Hij ziet er jongensachtig uit, met zijn spijkerbroek en nonchalante T-shirt. Zijn zwarte haar is strak achterovergekamd. Achter hem hangt een tekening van een grote veer. Chance is de eerste Cherokee die ik ontmoet.

De Trail of Tears is een gitzwarte bladzijde uit de Amerikaanse geschiedenis onder de door Trump zo bewonderde president Andrew Jackson. Jackson was de architect van een schandelijk racistisch plan om vijf indianenvolkeren, onder wie de Cherokees, van hun geboorteland in het diepe Zuiden te verdrijven. Iedereen zat te azen op hun rijke gronden. Toen daar ook nog goud werd aangetroffen, werd er al gauw gezocht naar een reden om de indianen weg te sturen. Argumenten had men niet. De Cherokees waren ontwikkeld en geïntegreerd. Het waren welgestelde boeren, velen met een goede opleiding. De advocaten onder hen voerden vele processen tegen de regering. Tevergeefs.

Jackson tekende in 1830 de Indian Removal Act. Midden in de winter van 1838 dreef het Amerikaanse leger de 17.000 Cherokees naar kampen in Georgia en Tennessee en dwong ze van daaruit de negenhonderd mijl te lopen naar Oklahoma. De tocht was een humanitaire ramp. Niemand gaf hun eten of drinken. Vierduizend mensen stierven tijdens deze dodenmars. Mijn dochter, die nu haar vak Amerikaanse geschiedenis afrondt, liet me een film zien waarin de tocht wordt nagespeeld, gezien door de ogen van een Cherokee-meisje van haar leeftijd. Een nachtmerrie van honger, ziekte en kou.

Vorige zomer liep Chance deze historisch beladen tocht. Moederziel alleen legde hij in een maand de negenhonderd mijl af van Georgia naar zijn geboortestaat Oklahoma. Niet bepaald een comfortabele tocht, die hem vooral langs grote wegen voerde. Zijn grootmoeder verklaarde hem voor gek. Ze gaf hem 150 dollar. Hij leefde van mueslirepen die hij daarvan kocht.

Ik vraag hoe hij de tocht had ervaren. „Ik voelde me schuldig”, zegt hij. „Ik had schoenen en warme kleren. De mensen onderweg waren allemaal aardig. Ik mocht kamperen in hun tuin. Sommigen lieten me zelfs bij hen thuis logeren.” En wat vond hij van de monumenten onderweg, opgericht voor de slachtoffers?

„Het was ontroerend”, zei hij, „vooral omdat ik vaak mijn achternaam op de standbeelden aantrof.”

Maakte het hem niet boos, al het onrecht dat zijn volk is aangedaan, de vrijheid die hun is afgepakt? Zijn antwoord verraste me.

„Ik ben juist trots”, zegt hij. „Mijn volk heeft zich niet klein laten krijgen. De tocht heeft ons karakter niet aangetast. Integendeel, we zijn er sterker uit gekomen.”

Chance is trots op de Cherokees en de Cherokees zijn trots op hun zoon Chance. Hij werd geëerd door de chief. Volgend jaar, wanneer hij klaar is met Princeton, wil hij naar zijn volk terugkeren. „Tijdens de tocht, zo ver van huis”, vertelt hij, „begreep ik pas wat het betekent om Cherokee te zijn.”

De zon kleurt zijn studentenkamer langzaam oranje. Ik vraag hem naar de tekening achter hem. „Dat is een adelaarsveer”, vertelt hij, terwijl hij hem van de muur haalt. „Hij staat voor kracht en wijsheid. Het is het belangrijkste wat ik ooit gekregen heb.”

Reacties naar pdejong@ias.edu