Column

Ambtenaren

Marcel

Ik huur een kantoorruimte van een vriendin die er nooit kwam maar er toch niet vanaf wilde vanwege de lage huur en de hoeveelheid spullen die ze er heeft opgeslagen. Het is een typisch jarentachtiggebouw: veel beton en asbest. Het deed dienst als wijkcentrum. In de ruimtes waar vroeger buurtwerkers cursussen gaven, zitten architecten, een kunstenaar die verf op foto’s smeert en een ontwerpster van schoenen die in scheiding ligt.

Vorige week kreeg ik een telefoontje van mijn huurbaasje. Ze was vergeten te zeggen dat er een paar uur later ‘wat ambtenaren’ langs zouden komen. Als ze me wat vroegen, moest ik maar doen alsof ik haar was, hetgeen me moeilijk leek.

Het waren er meer dan twintig.

Ze stonden er opeens. Het bijzondere was dat ze niet eens de moeite namen om te communiceren. Ik moest maar gewoon doorgaan met wat ik deed en doen alsof ze er niet waren.

Dat zei mijn vader ook altijd als hij ambtshalve bij een boer in het buitengebied het land kwam opmeten.

„Gaat u maar gewoon door met boeren, ik ben er niet.”

Een paar maanden later ontving zo’n man dan soms een schrijven van de provincie Gelderland met de mededeling dat er op zijn land een dijk of een weg was gepland.

„Dan zag je elkaar bij de inspraakavond weer”, zei mijn vader, die in de tijd van de dijkverzwaringen na de overstromingen in het rivierengebied in ‘het rampjaar 1995’ – 250.000 mensen moesten worden geëvacueerd – een ijzeren plaat in de kaft van zijn multomap had zitten waar hij achter kon schuilen bij informatieavonden in dorpshuizen of zalencentra.

Hij zei ooit: „Ik deed gewoon mijn werk, ik voerde uit, maar die mensen dachten: een ambtenaar over de vloer is nooit goed nieuws.”

In mijn kantoortje gingen ze zwijgend aan het werk. Ze fotografeerden muren, krabbelden wat op bouwtekeningen en er zat er ook een tussen die lang uit het raam keek. Aan hem vroeg ik wat of ze van plan waren en wat er van dit pand ging worden. Een simpele vraag waarop hij geen makkelijk antwoord kon geven.

Er kwam waarschijnlijk een brief en een informatieavond, zei hij zo vriendelijk mogelijk.

Ik wist genoeg.

„Het is over met de pret”, zei ik.

Hij glimlachte vriendelijk terug. Heel even was het alsof ik mijn vader met een landmeter in een weiland zag staan. Zijn fiets tegen een hek, de bruine plastic broodtrommel onder de snelbinders. En dat mijn moeder dan ’s avonds de aardappels had laten aanbranden.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz en vervangt haar tijdens haar vakantie.