Column

Hoe onze wereld is: mooi, warm, en vrij

Het is een mooie zomerse dag, ik zit te lezen in de gedichten van de Poolse dichter Czeslaw Milosz. Ook tijdens de oorlog, die Polen maar al te goed heeft weten te vinden, schreef hij gedichten – over het getto van Warschau, over verwoeste steden, over schuld.

Ik kijk eens op. Alles is heel, alles glanst in de zon, vogels zingen en dat interpreteer ik als lieflijk. Een gedicht heet ‘Het vogelkoninkrijk’ en beschrijft hoe hoog boven de aarde de vogels vliegen en in een andere wereld leven – de aarde is donker terwijl zij in het licht vliegen. Misschien beschrijft het gedicht de tijd tegen zonsondergang, als de hemel zoveel lichter is dan de aarde. In de laatste regels valt er een veer van één van hen naar beneden en strijkt even langs iemands gezicht „een bericht,/ uit een wereld die licht is, mooi, warm, en vrij.”

In 1943 was dat een andere wereld, niet de aardse. Nu is het hier, op deze plek op aarde, eigenlijk precies zoals Milosz schrijft: licht, mooi, warm, en vrij.

Maar dat laatste, ‘en vrij’ denk ik bijna nooit. Het is geen categorie, omdat het zo is. Natuurlijk denk je weleens, bij berichten uit andere landen: gelukkig dat wij hier zulke vrijheden wel hebben. Dat wij zelf mogen weten wat we aantrekken, met wie we trouwen, op wie we stemmen, waar we heen gaan. Maar ik denk eigenlijk nooit: ‘we zijn vrij!’ Net zo min als ik denk: ‘het is vrede!’

Hoe lang blijf je ‘vrij’ na bezetting?

K. Schippers schreef ooit eens: „Kun je bij 15 graden boven nul/ en als het 29 dagen/ niet heeft gevroren /toch over dooi/spreken?”

Het is misschien verkeerd om op te houden te denken dat we vrij zijn. Tel je zegeningen, tel ze één voor één, het is een beetje tuttige, maar daarom nog niet minder wijze raad.

Ooit hoorde ik Afshin Ellian, de uit Iran gevluchte dichter en rechtsgeleerde, vertellen over waarom hij naar het Westen had gewild. Omdat ze daar vrij waren, democratie hadden, in het openbaar konden discussiëren met elkaar, over alles. Dat hij het zo geweldig vond dat hij van zo’n cultuur deel uit ging maken. Maar dat hij wat was geschrokken, en zelfs teleurgesteld, toen hij zag hoe weinig hoog wij die verworvenheden achten, hoe makkelijk, om niet te zeggen achteloos, wij daarmee omgaan.

Ik schaamde me een beetje toen ik dat hoorde. Want ja, kritisch zijn is prima, maar het is belangrijk je te realiseren dat we ook iets te verdedigen hebben en hoog te houden. De rechtsstaat, de democratie. De welvaart. Van die enorme begrippen die altijd pathetisch klinken als je ze in de strijd werpt.

Toen ik een kind was, fantaseerde ik wel eens dat iemand ‘uit de oorlog’ bij ons door de ramen zou kijken en zou zien wat er allemaal voor het ontbijt op tafel stond. In gedachten somde ik op: kaas, beschuiten, aardbeien, gekookte eieren, echte boter… Wat een overvloed! Ik zou de denkbeeldige vluchtelingen binnen noden en ze erin laten delen!

Als ik eraan denk, lijkt het me eerder gênant dan een juist besef van mijn vrijheid en welvaart. Het klinkt nu eerder als de rijke man die een bedelaar huurt om met Kerstmis onder zijn raam te roepen „Oeh, wat is het koud!” opdat de rijke nog behaaglijker zijn gebraden gans kan eten.

Maar zo’n dichtregel kan het wel. Tot je door laten dringen hoe onze wereld is: mooi, warm, en vrij.