Grinniken om kunst

Nietsvermoedend kwam ik zaterdagavond aan met de trein op het Centraal Station in Amsterdam en liep naar de uitgang om de tram te nemen. Pas buiten zag ik dat er iets verontrustends aan de hand was.

Het gebied voor het station was met linten afgezet, overal liepen politiemensen rond en ambulancewagens reden af en aan. Er was veel publiek toegestroomd. Wat is dan tegenwoordig je eerste gedachte? Niet zo moeilijk te raden. „Het is zover.” Of iets dergelijks.

Ik vroeg een jonge Marokkaan die druk in gesprek was met enkele vrienden, wat er gebeurd was. Een man was ingereden op mensen, er waren zwaargewonden. De berichtgeving op de tv en de mededelingen van de politie hadden later op de avond iets opgeluchts: goddank geen aanslag! Er was alleen maar een autorijder ‘onwel’ geworden. Ten gevolge daarvan lag nu wel een handvol gewonden méér dan onwel in het ziekenhuis, dus die opluchting was ten opzichte van de slachtoffers en hun families bepaald niet gerechtvaardigd.

Voor mij was dit het wrange einde van een dag waarop ik juist ongewoon veel had kunnen lachen. Ik bezocht in Haarlem de dubbeltentoonstelling Humor: 101 jaar lachen om kunst in De Hallen en het Frans Hals Museum. Kunst is doorgaans, en zeker in musea, een ernstige, verheven zaak, maar dankzij bewegingen als dada en Fluxus kan er soms wel degelijk gelachen worden.

Wim Schippers moet in een tv-programma de plechtige vraag naar de betekenis van zijn werk beantwoorden en begint met de interviewer een sigaret aan te bieden, waarna een serveerster binnenkomt met een volgeladen serveerwagentje en omstandig de drankjes neerzet. Er zijn begrijpelijke redenen om het flauw te vinden, maar voor mij is het nog altijd een onweerstaanbaar soort grinnikhumor. Grinniken is, volgens het woordenboek, niet-hardop lachen met zeker knorrend keelgeluid. (Ik hoorde overigens een echtpaar in Haarlem om hetzelfde juist erg luid lachen.)

Schippers heeft een hoofdrol in Haarlem, maar er is ook veel leuk werk te zien van kunstenaars als J.H. Moesman, Woody van Amen, Servaas, Jeroen Henneman, Hans Citroen, Axel en Helena van der Kraan, Joost Swarte, Herr Seele, Kamagurka en Leonard van Munster met zijn verrassende The dancing white man. Van Helena van der Kraan noteerde ik dit citaat: „Grappig zijn, dat is het laatste wat we willen. (…) Je kunt er wel om lachen, maar dat is omdat je om alles in het leven eigenlijk kunt lachen.”

Dat laatste trek ik in twijfel, maar ik begrijp wat ze bedoelt. De werkelijkheid schonk ons onlang een gaaf voorbeeld. De politie van Gelderland gaf bewakingsbeelden vrij waarop te zien is hoe overvallers met geopende kofferbak achteruitrijdend een supermarkt in Nijmegen binnengaan om daar met hun auto de geldautomaat open te beuken. Het lukt niet en ze gaan er vandoor.

Het zijn ongemakkelijke beelden van een brutale en ook levensgevaarlijke poging tot roof, maar toch moest ik erom lachen. Dat kwam door het aangelijnde hondje dat naast de schuifdeuren van de supermarkt op zijn eigenaar zat te wachten. Het zag de overvallers naar binnen rijden en ook weer wegstuiven. Het reageerde opgewonden opspringend; net als wij thuis was het volkomen verbluft.

Een van die kunstenaars in Haarlem kon het bedacht hebben.