Opinie

Geef jonge moordenaar niet op

De roep om vergelding klinkt luid na de moord op Savannah en Romy, maar alle jonge criminelen hebben recht op een nuchtere analyse. Daar heeft ook de samenleving het meest aan, schrijft Malou van Hintum.

Op de etalage van een winkel in Bunschoten staan de namen Romy en Savannah ter nagedachtenis aan de om het leven gebrachte meisjes. Foto: ANP / Robin van Lonkhuijsen

De jonge leeftijd van de jongens die Savannah en Romy mogelijk misbruikten of vermoorden lijkt bij mensen extra weerzin op te roepen. Er vallen termen als ‘monsters’ en ‘beesten’. Waarom? Omdat we geloven in ‘kinderlijke onschuld’?

Gewelddadig gedrag ontstaat maar zelden uit het niets. Bij mensen wier gedrag flink ontspoort, gaat iets mis tussen de oren. Dat is voor jonge mensen niet anders.

Het zaadje voor dit soort gedrag wordt soms al vroeg geplant. Al vóór de geboorte kan de hersenontwikkeling van een foetus verstoord raken doordat de baarmoeder geen veilige buik is, maar een stressvolle omgeving waarin giftige stoffen als medicatie, drugs, nicotine of alcohol het brein beschadigen. Hoe beroerder een zwangere vrouw eraan toe is en hoe slechter ze voor zichzelf zorgt, hoe groter de kans op problemen bij haar kind.

Slechte start

Zo maken sommige kinderen al voor hun geboorte een bijzonder slechte start. Maar biologie alleen is niet lotsbepalend. Sommigen mensen lopen wonderlijk genoeg geen schade op, anderen worden angstig en teruggetrokken en weer anderen ontwikkelen gedragsproblemen. Wat doe je vervolgens met zo’n lastig kind? Die schreeuw je tot de orde of geef je klappen, uit woede, machteloosheid of omdat je simpelweg niet beter weet. Klappen en schreeuwpartijen waartegen kinderen zich soms beschermen door er gevoelloos voor te worden, want met gevoelloosheid kun je angst bezweren.

Voor mijn boek Brein onder druk sprak ik met ‘rotjoch’ Nino. Zijn stiefvader was een kooivechter van twee meter lang, gebruikte anabolen en sliep veel. Hij had er een hekel aan als die slaap verstoord werd. Hij sloeg Nino’s moeder, Nino zelf en zijn zeven jaar oudere broer, die op zijn beurt ook Nino weer sloeg. Nino stopte op zijn tiende met huilen. „Elke keer als ik huilde, deed dat pijn en leek het of ik iets verloor.” Maar met gevoelloosheid worden kinderen ook gevoelloos voor pijn en verdriet van anderen.

Nino was bang om thuis te zijn en dus was hij altijd op straat te vinden. „Angst is je grootste vijand”, zegt hij. „Als je dan in de puberteit een grote en sterke man wordt, kun je die angst de baas worden. Dan hoef je niet meer bang te zijn voor anderen. Je ziet dat je niet langer in gevaar bent, maar je bent zelf een gevaar geworden.” Nino ging op vechtsport, verkocht xtc-pillen en harddrugs en belandde vóór zijn zeventiende twee keer in de gevangenis voor mishandeling.

Het kan goed aflopen met kinderen die een foute start maken

Toch kan het goed aflopen met kinderen die een foute start maken. Nino werkt inmiddels met jonge delinquenten en begint na de zomer aan een universitaire studie. Dat is, in dit geval, te danken aan een betrokken en vasthoudende hulpverlener en een rechter die Nino naar school stuurde. Maar niet iedereen kan daarop rekenen – met soms misselijkmakende gevolgen.

Er zijn jongens van een jaar of twaalf die, als ze thuiskomen, onder dwang hun (stief)moeder moeten bevredigen en hun zusje moeten misbruiken. Sommige van zulke jongens compenseren hun schaamte en vernederingen door buitenshuis de baas te spelen over kinderen die ze wél aankunnen. Op een slechte dag vergrijpen ze zich aan een jong meisje. Als zo’n meisje niet doet wat ze willen, maar zich verzet en gilt, raken ze in paniek of worden ze razend. Op zo’n slechte dag doen ze na wat ze thuis meemaken: ze schoppen, slaan, knijpen de keel dicht. Totdat het gillen stopt en het lichaam niet meer tegenspartelt.

Is zo’n jongen van slachtoffer dader geworden? Of is hij slachtoffer en dader ineen?

Slachtoffer of dader

Natuurlijk hebben lang niet alle criminele jongeren zo’n dramatische achtergrond. Ouders en kinderen kunnen bovendien doodgewoon pech hebben als een kind een ongelukkige combinatie van genen heeft die antisociaal en gewelddadig gedrag bevorderen. Is zo’n kind slecht en verdient het straf, of is het ziek en moeten we zoeken naar goede behandeling?

De jeugdgevangenissen zitten vol met jongeren met psychiatrische problemen: onderzoekers schatten tussen de 60 en 90 procent. Dat kan variëren van een licht verstandelijke handicap tot een ernstige antisociale stoornis. Helpen we de maatschappij en helpen we deze jongeren door hen te straffen? Of kunnen we beter behandeling vóór genoegdoening laten gaan en zo de kans vergroten dat we een jongere terugkrijgen die niet meer de fout in gaat?

Het is logisch dat bij deze zeer ernstige misdrijven de ontzetting overheerst, en de roep om vergelding is begrijpelijk. Maar mochten de verdachten van 14 en 16 jaar inderdaad de daders zijn, dan hebben zij net zoals alle andere jonge criminelen recht op een goede, nuchtere analyse en een adequate behandeling. Daar hebben ook wij het meest aan.