Erfelijke slapeloosheid zit bij man en vrouw anders in elkaar

Slaaponderzoek

Zeven genen in het menselijk DNA dragen bij aan slapeloosheid, zo blijkt uit een nieuwe studie.

Foto: iStock

Er zijn ten minste zeven genen in het menselijk DNA die bijdragen aan slapeloosheid – welke genen precies in het spel zijn, verschilt bij mannen en vrouwen. Dat is de uitkomst van een grootschalige genetische studie onder leiding van slaaponderzoeker Eus van Someren en geneticus Danielle Posthuma, die maandag in Nature Genetics is gepubliceerd.

Het onderzoek geeft voor het eerst een gedegen blik op de erfelijke oorzaak van slapeloosheid. Uit eerder tweelingenonderzoek was al bekend dat de oorzaak voor slapeloosheid bij mannen voor 38 procent in genen gezocht moet worden en bij vrouwen voor 59 procent.

De teams van Van Someren en Posthuma speurden naar genetische variaties die samenhingen met slapeloosheid in het DNA van 113.006 Britten die deelnemen aan het UK biobank-project. Van deze mensen is het complete genoom in kaart gebracht, samen met allerlei gegevens over hun gezondheid en levensstijl. Tot nu toe bleek het vaak lastig om slapeloosheid in zulke groepen goed te definiëren. Dat komt omdat simpele indicatoren (zoals tijd van opstaan of slaapduur per nacht) zo variabel per individu, dat het geen maatstaf is voor slaapgebrek. Via het Nederlands Slaapregister (met daarin de karakteristieken van duizenden Nederlanders, onder wie slapelozen) kon Van Someren wel duidelijke criteria opstellen, en daarmee voorspellen of de deelnemers aan de UK Biobank leden aan slapeloosheid.

Zo spoorden de onderzoekers genvariaties op die verband hielden met slapeloosheid. De gevonden variaties werden, zoals dat hoort in genetisch onderzoek, gevalideerd in een tweede groep; 7.500 IJslanders uit de databank van het genoombedrijf deCODE. Er rolden zeven genen uit waarvan er drie in beide geslachten een rol spelen, en waarvan er twee alleen bij de vrouw en twee anderen alleen bij de man betrokken waren. Van niet al deze genen is al een functie bekend, maar uit de analyse blijkt dat variaties in deze genen ook samenhangen met depressie en stofwisselingsproblemen zoals diabetes en overgewicht.

„Dit onderzoek opent de deur naar het beter begrijpen van biologische oorzaken van slapeloosheid”, zegt Van Someren. „De slaappillen die artsen nu voorschrijven nemen de oorzaak niet weg. Zo’n slaappil is als het ware een klap met de hamer, het maakt het brein rustiger en je voelt je minder wakker. Maar de slaap is dan nog steeds niet normaal. Bovendien zijn deze middelen flink verslavend. Weten waar de genetisch oorzaak ligt, biedt een startpunt voor onderzoek naar een heel nieuwe categorie slaapmiddelen.”

Slapeloosheid komt als chronische aandoening voor bij zes procent van de volwassenen en neemt toe met de leeftijd. Onder ouderen heeft zeker 22 procent last van slapeloze nachten. „Er zijn nog steeds veel mensen die slapeloosheid verwarren met vrijwillig te kort slapen”, zegt Van Someren, „maar het is wel degelijk een ziekte. Slapeloosheid is op zichzelf al erg ontwrichtend voor iemands leven, en daarnaast vergroot het ook nog de kans op depressie, diabetes en problemen met het hart.”