Cultuur

Interview

Interview

Anita Jansen: ‘Blijven dooreten van het ongezondste voedsel denkbaar, dat is echt een gedragsprobleem.’

Foto's Chris Keulen

Eetproblemen kun je prima afleren

Anita Jansen eetstoornisdeskundige

Eten is gedrag, en eetproblemen zijn met de juiste therapie te bestrijden. Zegt Anita Jansen, kersvers KNAW-lid.

„Ja, ver hè, Maastricht?” Anita Jansen moet er hartelijk om lachen dat ik de afstand had onderschat: het is ruim tweeënhalf uur enkele reis vanaf Amsterdam naar het universiteitsgebouw waar zij haar werkkamer heeft. Een reis die zij nu nog vaker zal moeten maken: donderdag werd ze geïnstalleerd als een van de 26 nieuwe leden van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), gevestigd in de hoofdstad. Jansen timmert al jaren aan de weg met haar onderzoek naar eetstoornissen.

Hoe kwam u eigenlijk bij eetstoornissen?

„Poeh, dat is echt al heel lang geleden. Ik studeerde in Utrecht, begin jaren tachtig, en liep stage in Maastricht. Daar werkte Winnie Weeda Mannak, toen dé anorexia-expert. Het onderwerp eetstoornissen kwam in die tijd heel erg op, het stond vaak in de damesbladen. Nu is obesitas heel erg in, maar destijds was anorexia echt een hype. Ik heb in Maastricht mensen ontmoet die angstonderzoek deden, dat vond ik nog spannender onderzoek. Ik probeerde diezelfde experimentele principes toe te passen op eetstoornissen. Dat ging goed en zo ben ik erin gerold.”

Is obesitas ook een eetstoornis?

„Vind ik wel, vooral morbide obesitas, met eetbuien. Als mensen die heel dik zijn toch blijven dooreten van het ongezondste voedsel denkbaar, ook als de arts zegt dat ze dan doodgaan… Dat ziet eruit als een verslaving, dat is echt een gedragsprobleem, een drang.

„Wij onderzoeken nu: hoe komt die drang zo sterk en hoe kun je die afleren? Een hoop eetgedrag is aangeleerd. Veel mensen denken dat ze eten omdat hun lichaam voedsel nodig heeft, maar dat is niet zo. Dat jij om zes uur honger krijgt komt doordat je geleerd hebt dat je om zes uur gaat eten. In ons virtual reality lab lieten we mensen rondlopen in een museum of een judozaal, een omgeving die je niet met eten associeert. Als ze in een bepaalde omgeving altijd een slok milkshake kregen, kregen ze alleen daar al na een paar keer trek in milkshake, en meer speeksel in de mond.”

De zelfwaardering van meisjes met anorexia en boulimia wordt volledig bepaald door hoe ze over hun lichaam denken.

Hoe leer je dat weer af?

„We doen veel onderzoek naar exposure en de uitdoving van trek. Als mensen eten mogen vasthouden en eraan ruiken, maar het niet opeten, dan leren ze dat de aanwezigheid van voedsel niet meer voorspellend is voor eten. Dan neemt de zin om te eten af. Ze leren dat bij ons, maar moeten dat dan ook juist thuis vaak doen, in hun eigen eetbuienomgeving. En blijven oefenen. Vraag het ex-rokers: die zeggen dat het twee jaar duurt voordat ze die drang kwijt zijn.”

Foto’s Chris Keulen

Kun je anorexia ook afleren?

„Anorexia is een bijzonder geval. Bij een deel van de patiënten ontwikkelt het zich tot boulimia, met eetbuien dus. Er is een kleine andere groep die zich forever kan beperken. We weten nog helemaal niet hoe het kan dat mensen zich kunnen uithongeren tot ze doodgaan. Ik heb wel een hypothese: ik denk dat bij die mensen de zelfopgelegde exposure-uitdoving heel succesvol is verlopen. Als je bewust vaak en lang voor anderen kookt en nooit mee-eet, dooft de trek uit, want de beloning komt nooit meer. Dan heb je precies gedaan wat we mensen met obesitas willen aanleren.

„Als dat klopt, zou je precies de tegengestelde therapie kunnen ontwikkelen als bij obese mensen. Patiënten niet in de kliniek, maar thuis weer leren eten. Zorgen dat eten weer belonend wordt, weer lekker. Dan is er natuurlijk angst om dikker te worden. Ook dan ligt exposure voor de hand. Ze denken bijvoorbeeld: als ik dit chocolaatje eet, kom ik drie kilo aan. Zulke ideeën kun je testen: weeg jezelf, eet het stukje chocola, weeg jezelf weer. Vaak vallen hun dan de schellen van de ogen. Als niet gebeurt wat ze vreesden, neemt langzaam die angst af. Met anorexia-patiënten wordt dit soort oefeningen te weinig gedaan.”

Zijn therapeuten te beschermend?

„Nou, volgens mij weten we nog te weinig van de mechanismen die maken dat mensen steeds dunner willen worden. En daardoor weten we ook niet goed hoe we het best kunnen behandelen. Bijvoorbeeld: alle mensen met een eetstoornis, ook obesitas, hebben een lage zelfwaardering. Maar of dat de oorzaak is? De zelfwaardering van meisjes met anorexia en boulimia wordt volledig bepaald door hoe ze over hun lichaam denken. Maar hoe dat komt? Sommig onderzoek suggereert dat ze vroeger meer kritiek op hun uiterlijk kregen: jij met je dikke kont. Maar misschien herinneren ze zich dat anders dan mensen zonder eetstoornis. Het slankheidsideaal in de media kan ook niet de enige reden zijn, want dan zouden alle vrouwen een eetstoornis hebben.”

Bij uw inauguratie als hoogleraar zei u dat u zichzelf overbodig wilde maken.

„Ja, dat is nog niet gelukt, hè? Vooral over anorexia weten we nog zo weinig. Het is een kleine groep, ongeveer één procent van de meisjes en jonge vrouwen, en het is een ernstige ziekte, dus het is moeilijk om bij die groep veel onderzoek te doen. Er is vreemd genoeg ook bijna geen geld voor. Bij subsidiegevers is obesitas veel populairder omdat dat veel meer mensen treft. Terwijl anorexia een van de ernstigste psychiatrische stoornissen is.”

Iets anders: de KNAW koos dit jaar twee keer zoveel nieuwe leden als normaal; er werden extra vrouwen benoemd. Wat vindt u daarvan?

„Ik zat niet in die vrouwenronde, ik zat in de gewone ronde, maar ik vind dat prima. Het glazen plafond in de universitaire wereld is enorm, dat moet echt een beetje geforceerd worden, anders gaat het allemaal veel te langzaam.Of ik het erg had gevonden als ik wel in die vrouwenronde zat? Neuh. Mensen vinden dat misschien nu niet leuk, maar volgend jaar is iedereen het weer vergeten.”