Column

IJzig werkklimaat op de faculteit

Hoger onderwijs

Twee Leidse hoogleraren pedagogiek creëren volgens medewerkers een sfeer van angst. Ze moeten weg, vindt de directeur ad interim.

Twee hoogleraren moeten vertrekken uit het Instituut voor Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Leiden wegens de angstcultuur die zij daar zouden veroorzaken. Dat adviseert de wetenschappelijk directeur ad interim van het instituut, Eric Fischer, in een rapport dat deze week is uitgelekt. Fischer werd vorig jaar van buiten aangesteld om de al twintig jaar voortslepende problemen aan het instituut op te lossen. Twee van zijn voorgangers waren voortijdig vertrokken omdat zij vonden dat hun het werk onmogelijk werd gemaakt.

De hoogleraren zijn Marinus van IJzendoorn, leerstoel gezinspedagogiek, en Marian Bakermans-Kranenburg, leerstoel neurologische achtergronden van opvoeding en ontwikkeling. Hun namen zijn verwijderd van de Nederlandstalige lijst van medewerkers op de site van het instituut. Bakermans-Kranenburg komt nog wel op het instituut, Van IJzendoorn werkt nu vanuit een ander gebouw.

Met de advocaat van Van IJzendoorn wordt onderhandeld over diens toekomst aan de faculteit. Zijn rechtspositie is gecompliceerd. Van IJzendoorn heeft veel promovendi en hij zou volgend jaar met emeritaat gaan. Maar hij werkt ook aan een tot 2023 doorlopend onderzoek naar kinderen waarvoor hij in 2012 een miljoenensubsidie van de NWO had ontvangen.

„We zijn hard aan de slag met het verbeteren van het werkklimaat. We kunnen daar geen mededelingen over doen”, zegt Caroline van Overbeeke, woordvoerder van de Universiteit Leiden. De twee hoogleraren waren niet beschikbaar voor commentaar.

‘Gemankeerd’ werkklimaat

Volgens het rapport van Fischer, getiteld Zachte Heelmeesters…, zouden Van IJzendoorn, zijn levenspartner en inmiddels met emeritaat vertrokken hoogleraar Adriana Bus, en Bakermans-Kranenburg angst hebben gezaaid onder medewerkers en promovendi. „Het werkklimaat kan al meer dan twintig jaar als ernstig gemankeerd beschouwd worden”, aldus het rapport. „Een groot aantal waardevolle medewerkers is vertrokken om in een andere universiteit of een andere wetenschappelijke instelling verder te gaan […] omdat het werkklimaat bij het instituut in Leiden al vele jaren ernstig te wensen overlaat.” Promovendi, onderzoekers en tijdelijk medewerkers zouden het meest lijden onder de sfeer.

Fischer heeft meer dan honderd medewerkers gesproken. Bakermans-Kranenburg en Van IJzendoorn worden beschuldigd van het „weigeren van functioneringsgesprekken, oncollegialiteit, verstrekken van onjuiste informatie, weigering medewerking, verbale intimidatie en verbale agressie”. Promovendi zouden regelmatig op de kamers van collega’s in huilen uit zijn gebarsten na gesprekken met een van het drietal. Naar aanleiding van een onwelgevallige beslissing zou Bakermans-Kranenburg de vorige wetenschappelijk directeur Judi Mesman voor de Commissie Wetenschappelijke Integriteit hebben gedaagd met klachten die weer werden ingetrokken of ongegrond bleken.

Intimidatie, kleinering

Het rapport van Fischer is het derde verslag op rij over de slechte werksfeer op de faculteit. Het jaarverslag van de vertrouwenspersoon uit 2016 maakte al melding van verstoorde relaties, een stressvol werkklimaat, intimidaties, kleinering en gebrek aan aandacht voor promovendi. In diezelfde periode nam wetenschappelijk directeur Judi Mesman ontslag wegens te veel tegenwerking.

Naar aanleiding daarvan stelde het faculteitsbestuur de juriste M. Balm aan voor een onafhankelijk onderzoek waarin na gesprekken met 82 medewerkers de conclusies van de ombudsman grotendeels werden bevestigd. „De cultuur op het instituut kenmerkt zich door veel informeel overleg met intimiderende aspecten en geheimzinnigheid”, aldus het rapport. Balm vond dat in het slechte werkklimaat de positie van wetenschappelijk directeur „niet op een goede wijze” zou kunnen worden ingevuld. Zij adviseerde een externe directeur te benoemen. Van IJzendoorn vond dat de onderzoeksmethode van Balm niet deugde en dat de validiteit in het geding was door onder andere „toegang voor vrijwillige respondenten”. Op het onderzoek volgde de benoeming van de externe Fischer die orde op zaken moet stellen.

Van IJzendoorn is een gevierd wetenschapper. Hij werd op zijn 29ste hoogleraar, kreeg een Spinoza-prijs, de Hendrik Muller-prijs voor sociale wetenschap en een Pionier-subsidie van de NWO. Carlo Schuengel, hoogleraar onderwijspedagogiek aan de Vrije Universiteit, is bij Van IJzendoorn gepromoveerd en publiceert vaak met hem. Schuengel vindt de berichtgeving over hem eenzijdig negatief. „Hij is een veeleisende, heel betrokken en loyale begeleider.”

Inmiddels zijn 28 steunbetuigingen van huidige promovendi en medewerkers voor Van IJzendoorn verzameld. Wegens een spreekverbod over de kwestie zijn ze anoniem. Ook 28 oud-promovendi hebben steun betuigd. Daar tegenover staat een bijlage bij het rapport-Fischer met vijftig oud-medewerkers die zeggen wegens de angstcultuur te zijn vertrokken.