De baron bleef voor zijn landgoed zorgen

Wilbert Baron de Weichs de Wenne (1934-2017) verloor als tienjarige het ouderlijk kasteel. Het bijbehorende landgoed bleef hij beheren.

Wilbert Baron de Weichs de Wenne, links met zussen Elisabeth en Marie-Emma in 1935 in hun kasteel.

Tijdens gevechten tussen Engelsen en Duitsers bij het Noord-Limburgse Geijsteren stierven in het najaar van 1944 vele tientallen soldaten. Ook het plaatselijke kasteel met ruim zeven eeuwen geschiedenis overleefde het uiteindelijk niet.

De tienjarige Wilbert Baron de Weichs de Wenne schuilde lange tijd in de kelders. In de laatste dagen van de strijd vluchtte de familie door de linies naar bevrijd gebied.

Voor wederopbouw van het kasteel was geen geld; de restauratie na een brand in 1918 moest zelfs nog afbetaald worden. Stenen van het slot werden gebruikt in beschadigd Doesburg.

Het gezin De Weichs de Wenne woonde na de bevrijding tien jaar lang niet in Geijsteren, maar even verderop in Meerlo. Pas na de voltooiing van een landhuis vlakbij het vernietigde kasteel keerde de familie terug naar het vertrouwde dorp.

Misschien was de verwoesting van 1944 ook wel een beetje een blessing in disguise. En een kasteel en een landgoed van zevenhonderd hectare beheren en behouden zou baron Wilbert slapeloze nachten hebben bezorgd, realiseerde hij zich later. Aan het landgoed alleen al had hij zijn handen vol.

Wel lag zijn hart bij werken in en met het landschap. Toen hij de vijfde klas van het gymnasium doubleerde, verkaste hij naar de middelbare landbouwschool. Na afronding daarvan werd hij boer. Later begon hij een rentmeesterskantoor.

Hij was ook 24 jaar wethouder van de gemeente Wanssum, waaronder Geijsteren destijds viel. Besturen deden zelden vergeefs een beroep op hem. Dochter Veronique: „Dat beschouwde hij als zijn burgerplicht. Bovendien gaf hij graag advies, een beetje paternalistisch en overtuigd van zijn gelijk. Achteraf bleek hij dat ook vaak te hebben.” Als hij vond dat die nieuwe boerenschuur niet in het beekdal, maar met respect voor dat beekdal moest worden gebouwd, vocht hij daarvoor.

„Vooruitzien was zijn grote kracht”, zegt Harrie Eijssen, aannemer in Geijsteren en vriend van de baron. „Bestuurders bij de gemeente en de provincie zijn na vier jaar weer weg. De familie De Weichs woont hier al eeuwen.” Ook tegenover zijn kinderen benadrukte hij het belang van geduld. „Iets mocht gerust twintig, dertig jaar duren, als de laatste slag maar voor jou was”, zegt dochter Patricia.

Met diezelfde rust veroverde hij in de jaren zestig het hart van haar moeder, barones Judith van Hövell tot Westerflier. „Wilbert straalde vertrouwen uit. Hij was optimistisch, vrolijk en keek vooral naar de toekomst.” Volgens dochter Veronique bleef dat zijn houding: ,,Met verhalen uit de oude doos had hij weinig.”

Zijn zoon en twee dochters werden niet gepusht om in vaders voetsporen te treden. Wel zijn ze betrokken bij de stichting die het natuurschoonlandgoed sinds eind jaren tachtig beheert – en sinds een aantal jaren ook bezit. „Maar mijn vader overzag als enige het geheel”, zegt Veronique. „Dat wordt nu zoeken naar een nieuwe modus.”

Tot verbazing van zijn gezin begon De Weichs deze eeuw nog aan consolidatie van de verwoeste burcht. De overwoekerde ruïne werd omgevormd tot een kasteelplaats waarop een deel van de contouren van het verlorene gegane huis zichtbaar werden gemaakt. Het maakte zijn leven rond, denkt vriend Eijssen, die mee bouwde.

In maart van dit jaar bleek De Weichs ziek. Bij de dokter haalde hij zijn zakagenda tevoorschijn. De onderzoeken moesten niet samenvallen met de afspraken die hij had staan. De arts maakte duidelijk dat het misschien verstandiger was de agenda de eerste maanden helemaal leeg te ruimen.

Hij had een kwaadaardige tumor aan de galwegen en begreep wat dat betekende: „Als een boom in de zomer zijn blad verliest, gaat hij dood.” Zijn vrouw: „Hij had er vrede mee. Hij had alles gedaan wat hij wilde doen.” De Weichs ging ervan uit dat hij nog even had. Hij plande zelfs nog een vakantie. Hij overleed sneller dan iedereen had gedacht, op 14 mei.

Het plaatselijke gilde trok bij de begrafenis een loopkoets met het lichaam van de man die vijftig jaar hun beschermheer was. Eijssen timmerde een kist met sequoia-hout. De opa van de overledene importeerde die reusachtige boom in 1885 uit Amerika. Zes jaar geleden legde die het loodje. Eijssen: „Begraven worden in eigen hout, zo wilde hij het. Een boom was iets heiligs voor hem.”