Column

Wesley Sneijder, rekordmeister

Wesley Sneijder speelt vrijdagavond tegen Luxemburg zijn 131ste interland. Een record. Veertien jaar in het Nederlands elftal is meer dan een half voetballeven. De gewezen hangjongere uit de Utrechtse volksbuurt Ondiep is nog een product van straatvoetbal. De bravoure die hem als mens en als voetballer zo kenmerken is daar ontkiemd. Even dreigde het mis te gaan in dat milieu van de doelloosheid, maar op zijn zestiende stapte hij uit de kring foute vrienden. Een ritje in zijn nieuwe BMW M3 voltooide het afscheid. „Ik reed zo trots als wat door mijn oude wijk en proefde alleen afgunst. Toen was het definitief over.”

Wat bleef was het leren jack, het wisselende kapsel en een vracht tattoos op armen en benen. Op zijn bravoureprofiel wou hij niet inleveren. Nog steeds niet. Wesley wordt al vijftien jaar iedere ochtend wakker met de vraag: hoeveel kerel ben je? Een soort joyeus leiderschap is zijn natte droom gebleven. Geen meeloper, niet achterna hinken, met het lef van de paracommando door het leven schuimen. Althans, die uiterlijke schijn. Zijn voetbalhumor is navenant. Sneijder houdt van een scheut casuïstiek. Met de romantiek van bal en man had hij nooit veel op, al waren zijn steekpasses subliem en scoorde hij pareltjes van doelpunten. Maar toch vooral een man van strijd.

Sneijders interlandcarrière in vijf citaten. “Ik speel je straks helemaal gek, lange lul.”

In zijn combattieve temperament ligt het grote verschil met wapenbroeder Rafael van der Vaart. Rafa deed alles op klasse en dat zorgde voor vertraagde motoriek. Wesley dwarrelde over het veld, ook zonder bal en speelde op schoeisel met tanden. Daarom is hij vandaag nog steeds boegbeeld van Oranje terwijl Rafael al lang niet meer in aanmerking komt voor een interland. Doodjammer, want van het koningskoppel bij Ajax was hij degene met het meeste raffinement in de wreef. Dat wilde Wesley trouwens niet horen.

Bravoure leidde bij Sneijder niet tot rancune. Typisch was zijn crisette voor het WK van 2014. In de aanloop werd hij door bondscoach Louis van Gaal tot bloedens toe getergd met denigrerende opmerkingen over zijn fitheid. Van Gaal bleef maar poken in het sfeertje van de afbranding dat zich vervolgens ook onder de media had verspreid. Sneijder werd weggezet als een oude man die zich beter ophield in een praatjeshuis op de dijk dan in een krachthonk. De belediging kwam hard aan. Maar het WK in Brazilië wou hij voor geen goud missen en hij begon zich in alle stilte het snot voor de ogen te trainen. Een straatjochie laat zich niet zomaar wegzetten.

Talent voor wankelmoedigheid had hij ook. Bij een bezoekje aan Wesley in Madrid trof ik zijn broer en een paar Utrechtse vrienden. Ongevraagd zei de gevierde voetballer dat hij niet alleen kan zijn. Het liefst heeft hij een van zijn broers in zijn nabijheid. Of een boezemvriend uit zijn jeugd. Een van zijn vriendjes bij de Ajax-jeugd was de jonge asielzoeker Nando Rafael. Hij redde het niet bij Ajax en is in Duitsland gaan voetballen, maar Sneijder bleef zich om hem bekommeren.

In zijn huisje in Madrid zag ik ineens pantoffels staan onder aan de trap. Als een schilderijtje stonden ze daar. De stoere middenvelder, de grote bek, het kleine nozemhart en dat schiet thuis ’s avonds in pantoffels – Hollandser krijg je het niet in het rijtjeshuis.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.