Recensie

Waarom raakt het klimaat ons niet?

Dichteres Lieke Marsman (1990) debuteert met een sterk geëngageerde roman. Ze vervlecht essay en poëzie en maakt scheiding tussen die genres irrelevant.

Illustratie Paul van der Steen

Het is één van de stomste en meest onjuiste dingen die uitentreuren over de hedendaagse Nederlandse schrijvers worden herhaald – en dan vooral over de opkomende schrijversgeneratie: dat ze navelstaarderig en niet geëngageerd zijn. Omdat hun boeken over henzelf gaan.

Dat laatste is, in veel gevallen, niet onwaar. Maar nota bene: die romans gaan zo vaak wél over de positie van het individu ten opzichte van die onoverzichtelijke, complexe wereld.

Het interessantste boek daarover is nu verschenen: Het tegenovergestelde van een mens, het sterk geëngageerde romandebuut van dichteres Lieke Marsman (1990). ‘Zou ze er wel eens bij stil hebben gestaan dat apathie ook het gevolg van het wél hebben van waarden zou kunnen zijn?’ schrijft ze. Verderop, weer heel treffend, betrekt haar hoofdpersoon dat misverstand van apathische onverschilligheid op tienerdepressies: ‘Alles doet er juist toe: een depressie kan net zo goed voortkomen uit een teveel aan levenslust als uit een gebrek aan levenslust.’ Tegen het einde citeert ze nog klimaatactivist Naomi Klein: ‘Wat als de reden dat de meesten van ons niet in actie komen niet is dat we te zelfzuchtig zijn om ons zorgen te maken over een ogenschijnlijk abstract en ververwijderd probleem – maar dat we juist verlamd worden door hoeveel het ons wél kan schelen?’

Het gaat daar telkens over in de werkelijk wervelende roman Het tegenovergestelde van een mens: over het vermogen om je te engageren. Over de vraag: waarom lijken we niet geraakt door de klimaatverandering? Je kunt denken: meer een vraag voor een essay dan voor een roman, maar deze roman is juist zo hemelbestormend omdat het die genrescheidingen irrelevant maakt. Marsman verlaat geregeld de geijkte romanvorm om ruimte te maken voor glasheldere essayistiek en poëzie. En ze doet dat ogenschijnlijk moeiteloos.

Afbraak van een stuwdam

Het tegenovergestelde van een mens is ook ‘gewoon’ een roman, met een hoofdpersoon en een verhaal dat van A naar B gaat. Het gaat over Ida, 29 jaar en klimaatwetenschapper, die een stage accepteert bij een instituut dat een stuwdam in de Italiaanse Alpen gaat afbreken. De natuur moet hersteld worden, vinden ze, dóór de mens – een van de talloze paradoxen in deze roman, en eentje die nog een aardige plottwist oplevert.

Maar het gaat ook over Ida zelf, over de liefde. Daarmee worstelt ze evenzeer als met de opwarming van de aarde – dat zijn geen gescheiden grootheden, dankzij haar peinzende inslag, haar vermogen om dóór te analyseren en in feite haar egocentrisme. Die maakt het moeilijk voor haar om zich tot een ander (haar geliefde Robin) te verhouden – laat staan dat ze zich kan verhouden tot de natuur, die in ons denken zo’n beetje het tegenovergestelde van een mens is (‘iets na-te-voelen wat geen eigen gevoel heeft – dat betekent dat je niets moet voelen’, ontdekt de jonge denker Ida al, als ze zich probeert te verplaatsen in een komkommer). Terwijl ze wél die nood tot engageren voelt.

Soepel glijd je telkens in een leesmodus waarbij je opveert en denkt: ja, zó zit het, zoals het hier staat

Met een verhaal over zo’n eigenzinnige, cerebrale intellectueel is het niet ondenkbaar dat je alsnog op afstand blijft. Dat gebeurt wonderbaarlijk genoeg niet: soepel glijd je telkens in een leesmodus die past bij die van essayistiek of poëzie, het lezen waarbij je opveert en denkt: ja, zó zit het, zoals het hier staat. Marsman bezit het indrukwekkende vermogen om het particuliere ook algemene geldigheid te geven, om haar overpeinzingen ook de onze te laten worden, zonder dat ze iets van hun eigenzinnigheid verliezen. De eclectische vorm van de roman werkt daaraan mee: we leren Ida immers juist kennen door het aforismengedicht ‘Ik haat de storm, ik houd van de storm’ en door haar essays.

Marsmans romandebuut is mede dankzij dat geslaagde vormexperiment een buitengewoon meeslepende ideeënroman, die zo diepgravend en poëtisch is dat hij aan pamflettistisch simplisme ontkomt. Cerebraal is het, het gaat over wat zich in onze hoofden afspeelt, maar bij het lezen van deze roman verankert de overtuiging zich steeds meer dat we ons hoofd zijn, en dat we moeten ophouden dat met denkbeeldige scheidingen af te zetten tegen ons lichaam, of hart, of zo. Die scheidingen zijn het probleem, daarvoor pleit het klapstuk van de essayistische passages, een bespiegeling over de tweedeling tussen subject en object, die ook de scheiding tussen natuur en cultuur heeft bewerkstelligd. En zo zijn we weer terug bij klimaatverandering en de menselijke arrogantie om zich het centrum van het universum te voelen. De natuur trekt zich daar natuurlijk niets van aan.

Dat levert hoogst relevante filosofische literatuur op – die raakt aan alles waar je als intellectueel mee bezig kunt zijn, in de binnen- of buitenwereld, en die je raakt.