Column

Poolse contrarevolutie: samen tegen de rest van de wereld

De nieuwe ‘morele orde’ in Polen is gebaseerd op een specifiek democratisch concept: het volk spreekt met één stem, schrijft Hubert Smeets.

Pools verkiezingsbord voor de door Solidariteit gewonnen verkiezingen van juni 1989 Foto EPA

Zonder het mirakel van 4 juni 1989 was het IJzeren Gordijn in Europa niet zo snel neergehaald. Op die zondag kon Polen voor het eerst in deels vrije verkiezingen naar de stembus. De uitkomst was de onverbiddelijkste vreedzame afstraffing van het communisme ooit. Vrije vakbond Solidariteit won alle, maar dan ook alle, vrij beschikbare parlementszetels.

Ruim een kwart eeuw later is Polen het succesvolste land uit het toenmalige ‘socialistische kamp’ van Moskou. Reden genoeg voor een officiële herdenking? Nee. Regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) is tegen. Van staatswege werd zondag juist niets gevierd.

De reden is politiek. Volgens PiS-partijleider Jaroslaw Kaczynski, simpel parlementslid maar feitelijk de man die Polen domineert, was 1989 geen echte breuk. Er kwam slechts een nieuwe elite aan de macht, liberaal notabene. Haar derde republiek – de eerste was de adellijke republiek met zijn ‘Poolse landdagen’ die eind 18de eeuw werd verdeeld tussen de buurlanden; de tweede die van maarschalk Jozef Pilsudski (1867-35) – was geen bevrijding maar een vorm van verraad. Door haar oren naar het liberale Europa te laten hangen, stak de postcommunistische elite een mes in de rug van het volk. Volgens Kaczynski is 2015 het echte onafhankelijkheidsjaar, vergelijkbaar met 1920, toen Pilsudski voor het eerst in drie eeuwen eindelijk de Russen versloeg. Pas na 2015 kon Polen in navolging van Hongarije beginnen aan zijn ‘culturele contrarevolutie’.

In dit morele reveil is alles politiek, legt de 76-jarige econoom Aleksander Smolar, een geestverwant van Solidariteit, ons thuis in Warschau uit. Zij het met de ironische distantie van de dissident die onbevreesd de macht trotseert en weet dat de geschiedenis soms een rondje maakt. In 1969 was Smolar, een anti-communistische studentenactivist, een politiek gevangene van dé arbeiderspartij. Nu is hij een politieke vijand van dé volkspartij.

De PiS staat namelijk voor alles wat Smolar ooit bestreed: ongedeelde centrale macht. Allereerst wordt de trias politica ontmanteld, heeft het parlement deze week weer bevestigd. Nu het Constitutionele Hof is gesaneerd, volgen de andere rechtbanken en het openbaar ministerie. Omdat de contrarevolutie cultureel is, wordt dit alles geflankeerd door een verplichte patriottische canon voor de geschiedenislessen en andere ideologische maatregelen.

Deze nieuwe ‘morele orde’ is gebaseerd op een specifiek democratisch concept: het volk spreekt met één stem. In het taalgebruik is het volk nu enkelvoud, geen meervoud meer. Het volk is voor PiS geen statistische verzameling van mensen die wisselende meerderheden vormen, maar één persoon: de ‘soeverein’ die altijd gelijk heeft en zich niet hoeft te laten corrigeren door welke individuele rechter ook. Vandaar dat Kaczynski zich in het voetspoor van Pilsudski laat bejubelen als naczelnik, dé leider van Polen.

Het is dat Kaczynski tot in zijn kleine teen anti-Russisch is, anders zou je hem een ‘slavofiel’ van het type Dostojevski kunnen noemen, aldus Aleksander Smolar. Of zelfs een Ottomaan, als hij niet zou denken dat immigranten uit Turkije het land komen besmetten met ‘bacillen’. Dat soort vergelijkingen zijn historisch leuk, maar snijden geen hout. De naczelnik van de nakende vierde republiek in Polen staat namelijk niet alleen. Kaczynski is een van de vele volksleiders die in het verleden de toekomst zoeken.