Column

Pleidooi voor de gulle uitgever

Waren er maar meer literatuurminnende multimiljonairs, die hun vermogen in een uitgeverij steken.

Eerst even het goede nieuws: uitgeversgroep WPG (van o.a. Vrij Nederland en een stoet literaire uitgeverijen) heeft over 2016 een nettoverlies van 2,5 miljoen euro geleden op een omzet van 136 miljoen. Nu vraagt u zich natuurlijk af waarom dit nieuws zo goed is. Welnu, het zit hem in dat relatief kleine bedrag, omdat dit me voor zo’n groot concern geen ramp lijkt. Met een paar goede boeken in het verschiet moet je tenslotte zo weer in de plus kunnen komen (zegt de beste stuurman aan de wal).

Het slechte nieuws is dat het verlies deels veroorzaakt wordt door het openstaan van hoge auteursvoorschotten. De gulle (uit)gevers hebben hun hand dus behoorlijk overspeeld, alsof ze aan de roulette-tafel zaten en almaar op impair inzetten, terwijl pair steeds won.

Dat schrijvers hoge voorschotten verlangen, kun je ze niet kwalijk nemen. Schrijven is tenslotte ploeteren en slechts een enkeling houdt er een elektrische fiets aan over. Dat Alfred Birney na dertig jaar werken als een galeislaaf de Librisprijs kreeg voor zijn roman De tolk van Java , die nu al vier weken op 1 in de Bestseller 60 staat, is dan ook om vrolijk van te worden.

Wel kun je kritiek op die gokkende uitgevers hebben, al gelden hier verzachtende omstandigheden, omdat je nooit weet of een boek het goed gaat doen of niet. Ik wil daarom pleiten voor enig begrip voor deze gulle uitgevers. In de eerste plaats omdat ze toch vaak mooie boeken laten verschijnen, waarmee ze het Nederlands cultuur- en denklandschap verrijken. Dat die boeken vervolgens niet zo goed verkopen is een andere zaak en ligt ook aan lezend Nederland.

Ik besefte eens te meer hoe moeilijk uitgeven is na lezing van Koen Hilberdinks intrigerende biografie J.B.W.P. over uitgever Johan Polak. Deze Amsterdamse multimiljonair met een voorliefde voor de dichters Leopold en Boutens verloor een aanzienlijk deel van zijn vermogen aan het uitgeven van mooi verzorgde boeken van onvergetelijk goede schrijvers die niemand kocht. Maar hoe groot was mijn geluk niet toen ik als 16-jarige scholier Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo of Hadrianus’ gedenkschriften van Marguerite Yourcenar kocht, die door Polak in de ‘Grote Belleterie Serie’ waren uitgegeven. Dankzij Svevo besloot ik nooit te gaan roken om niet ook zo’n tobber als Zeno te worden. Na lezing van Yourcenar besefte ik ineens wat lijden vanwege schoonheid betekent.

Uit Hilberdinks biografie blijkt waarin Polaks zwakke kant als uitgever schuilde. Zo tekent de biograaf uit de mond van de neef van de uitgever op dat Polak vooral bezig was met het omzetten van een berg geld in een berg boeken, zonder een duidelijk beeld te hebben van wat er met die boeken moest gebeuren. Ik zal niet ontkennen dat zoiets in zakelijk opzicht rampzalig is voor een uitgeverij, maar toch ontroert het me. Waren er maar meer literatuurminnende multimiljonairs, die hun vermogen, dat zij en hun kinderen tijdens hun leven nooit op kunnen krijgen, in een uitgeverij steken, met het risico dat ze al dat geld kwijtraken. Ook zij leven tenslotte maar één keer. Wat is er tenslotte mooier dan schrijvers uit te geven die je na aan het hart liggen. En als het avontuur mislukt, zijn er altijd nog de lezers die je de rest van hun leven dankbaar zullen zijn, zoals ik Johan Polak nog altijd dankbaar ben voor Svevo en Yourcenar.