‘Maak van het slagveld bij De Punt een archeologisch Rijksmonument’

Contemporain archeoloog Jobbe Wijnen wil dat de plek waar in 1977 de treinkaping bij de De Punt plaatsvond een rijksmonument wordt.

De door kogels en explosieven verwoeste trein bij De Punt, na het beëindigen van de kaping in 1977. Op de achtergrond enige bovenleidingspalen.

Ze vallen nauwelijks op, maar zijn er wel: een bovenleidingspaal met kogelgaten en een schuttersputje op de golfbaan langs de spoorlijn Assen-Groningen. Het zijn de stille getuigen van de kaping bij De Punt in 1977. Contemporain archeoloog Jobbe Wijnen wil dat de plek, „het laatste koloniale slagveld”, wettelijk wordt beschermd. „De sporen zijn kwetsbaar en kunnen zo uitgewist worden. ProRail kan met één pennenstreek besluiten tot vervanging van de bovenleidingspaal. Zo is het met het treinstel van de kaping ook gegaan.” Daarom dient hij veertig jaar na dato een aanvraag in bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om de plek tot beschermd archeologisch rijksmonument te verklaren.

Wijnen, eerder betrokken bij archeologisch onderzoek van het slagveld van de Grebbeberg en de concentratiekampen Amersfoort, Westerbork en Vught, is de afgelopen twee jaar bezig geweest om op een archeologische manier te onderzoeken welke sporen er nog zijn op de locaties waar de Molukkers in de jaren zeventig acties hebben uitgevoerd. „In 1966 hebben ze brandbommen gegooid naar de Indonesische ambassade in Den Haag. Daarvan is aan de buitenkant niets meer te zien, maar de muur waarover de Molukkers via de tuin van het Catshuis zijn weggevlucht is er nog wel.” En in het Provinciehuis in Assen, waar in 1978 de laatste Molukse actie plaatsvond, is de zaal waar de gijzelaars werden vastgehouden verdwenen. „Er is wel een plaquette ter herinnering aan de twee omgekomen gijzelaars. De gebeurtenis leeft ook nog in het gebouw: men weet precies wie de enkeling is die het heeft meegemaakt en er nog werkt.”

Bijzondere Bijstandseenheid

De plek van de eerste treinkaping, in 1975 bij Wijster, heeft Wijnen nog niet bezocht. „Ik verwacht er wel sporen. Op archieffoto’s is te zien hoe de BBE, de Bijzondere Bijstandseenheid, zich heeft ingegraven om de trein te observeren.” De lagere school van Bovensmilde, waar tegelijk met de kaping bij De Punt een gijzeling was, is kort na het einde van de actie gesloopt. „Er is nu een soort plein, mede aangelegd met hulp van Defensie, precies tussen de Molukse wijk en de rest van het dorp. Ook die verwijdering van die school is een archeologisch spoor.”

Bij De Punt is wat Wijnen het ‘herinneringslandschap’ noemt nog vrijwel intact. „De spoorwegovergangen, die met pantserwagens waren afgezet, het spoortalud, de dijken, de gebouwen, de golfbaan, waar de mariniers hun kamp hadden, en de bovenleidingspalen zijn er nog.” Hij wil daarom dat het hele terrein als archeologisch rijksmonument wordt beschermd. „Het gekaapte treinstel 747 is later hersteld en heeft nog jaren onder een nieuw nummer rondgereden. In de jaren negentig is het gesloopt, net als de trein die bij Wijster is gekaapt.”

Een bovenleidingspaal met kogelgaten, bij De Punt. Foto Jobbe Wijnen.

Latrines

Leden van de golfbaan, die er indertijd al was, hebben hem een dichtgegooide schuttersput aangewezen. „De put lag op een strategische plek op ongeveer 300 meter afstand, waarvandaan de trein in de gaten gehouden kon worden. Op de club gaat het verhaal dat vanuit de trein is geschoten en dat toen bijna de man in de put was getroffen. De kogel moet nog ergens in een boom zitten.”

Door het hoge gras is onderzoek lastig, maar volgens Wijnen moeten er meer sporen zijn. „Ik ben bijvoorbeeld benieuwd of de mariniers bij de golfclub naar de wc gingen, of dat ze zelf latrines hebben gegraven. En hadden ze ook veldkeukens? Kortom, opereerde het marinierskamp als in oorlogstijd of anders?’

Hij weet wel dat voor de mariniers de plek meteen een erfgoedplek was geworden. „Ze hebben binnen een uur na hun actie het met kogels doorzeefde bord met bestemming Groningen van de trein gehaald en meegenomen. Het is nu ergens in een marinierskazerne.”

Aan de slag met de toekomst

Wijnen is zich bewust van de gevoeligheden bij alle betrokken partijen. „Contemporaine archeologie gaat niet altijd om waarheidsvinding, maar is ook een manier om lastige historische onderwerpen te belichten. Via de resten van het verleden kun je aan de slag met de toekomst. Archeologie kan dus naast kenniswinst ook een rol hebben bij verwerking, toenadering en erkenning. Ook daarom is de aanwijzing als rijksmonument van belang.”

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is al bezig met een onderzoek naar hoe om te gaan met militair erfgoed en erfgoed uit de periode na 1965. Maar de dienst vindt het nog te vroeg om inhoudelijk te reageren. „De zaak is interessant, maar ook complex.”