Column

Nederlaag

Marcel

Mijn nog nieuwe fiets was gestolen uit de fietsenstalling van station Science Park in Amsterdam. Ik kon het niet aanvaarden en liep vloekend vijf keer langs de rekken. Er passeerde een agent die met z’n mountainbike op de stoep reed. Ik rende achter hem aan waardoor hij dacht dat er iets ernstigs aan de hand was. De teleurstelling en ergernis waren van zijn gezicht af te lezen toen ik hem vertelde wat er gebeurd was. Weer geen misdrijf waar hij eens lekker zijn tanden in kon zetten. Voor hem stond een stommeling die zijn nieuwe fiets aan een ketting in een onbewaakte stalling had gezet. Hij had duidelijk geen zin om daar zijn patrouille door te laten verpesten. Dit was Amsterdam, fietsendiefstal uit een onbewaakte stalling was hier geen misdrijf.

Ik wist het.

Ach ik wist zoveel, op de stoep fietsen mocht ook niet.

Thuis was er vooral berusting.

Natuurlijk was mijn fiets gestolen, gelukkig was hij verzekerd.

De volgende dag leverde ik mijn fietssleutels in bij de fietsenhandelaar, die me er fijntjes aan herinnerde hoe fijn het was dat hij me na de vorige gestolen fiets had geadviseerd om een fietsverzekering af te sluiten. Wilde ik er weer zo’n fijn kinderzitje op? Hij zou bellen wanneer de nieuwe fiets er was. Twee weken later belde hij dan eindelijk.

Of ik het setje fietssleutels nog kwam inleveren?

De man had geen benul in welk dal hij me duwde. Het ging hard bergafwaarts. Ik zette het huis op z’n kop en spoorde de fietsenhandelaar aan om hetzelfde te doen in zijn winkel. Het werd een welles-nietes-spel. Ik was die sukkel die nieuwe fietsen in fietsenstallingen van Amsterdamse stations zette en die iedere dag belde of hij wilde zoeken naar mijn fietssleutels.

Er werd aan me getwijfeld, steeds vaker hardop.

Naar buiten toe bleef ik volharden in mijn gelijk – ik had die sleutels ingeleverd – maar vanbinnen knaagde de twijfel.

Eergisteren belde de fietsenhandelaar. Hij had de sleutels dan toch gevonden. Tegen sluitingstijd stond ik in zijn winkel waar ik de duizend excuses als warme lava over me heen liet komen.

„Je moet ze voortaan op een vast plekje leggen”, adviseerde ik.

Hij knikte.

Het was alsof ik naar mezelf keek, ik kon er geen genoeg van krijgen.

„Een laatje, of een doosje. Maak daar nou een gewoonte van.”

Thuis maakte ik er echt een moment van, ik kon niet vaak genoeg zeggen dat ik mijn fietssleutels niet zelf kwijt was geraakt.

In de schuur streelde ik het zadel van mijn nieuwe fiets.

Het was heel jammer dat ik even later ontdekte dat ik mijn iPhone in de fietsenwinkel had laten liggen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.