Opinie

Moslimterrorisme gedijt in een knuffelbeermaatschappij

Ongevraagd krijgen moslims een voorkeursbehandeling, schrijft . Terroristen kunnen daaruit afleiden dat ze in een zwakke samenleving leven die gemakkelijk is te vernietigen.
Beeld Istock

De enige man die ik ooit heb ontmoet met de ambitie een zelfmoordaanslag te plegen, was een gevangene in de Britse gevangenis waar ik in de jaren negentig en het begin van deze eeuw als arts werkte. Hij was een beroepscrimineel met een Arabische vader en een Engelse moeder, en had heel akelige neigingen. Hij was inmiddels in de dertig, de leeftijd waarop criminelen zich meestal van de misdaad afwenden en iets beters gaan doen – in zijn geval zoveel mogelijk ongelovigen vermoorden en zichzelf erbij.

Gelovig worden is een van de redenen, of voorwendsels, om uit de misdaad te stappen. In de gevangenis bestond veel meer islamitische dan christelijke evangelisatie. Ik vond geregeld korans en islamitische pamfletten in laden, binnengesmokkeld langs slinkse wegen, maar nooit bijbelse of christelijke pamfletten.

Ik zag in het geloof van de gevangenen een middel om te rationaliseren dat ze de gewone misdaad vaarwel zeiden, maar tegelijkertijd niet bogen voor of zich verslagen voelden door de samenleving om hen heen – want ze wisten dat hun bekering tot de islam die samenleving de stuipen op het lijf joeg.

Maar het probleem voor de veiligheidsdiensten is dat er geen onveranderlijk sociaal of psychologisch profiel van de moslimterrorist bestaat. Ook kan er niet een soort economische hendel worden overgehaald waardoor jonge moslims zich dankzij betere materiële vooruitzichten minder tot het terrorisme aangetrokken zullen voelen.

Weliswaar zitten er mislukkelingen tussen de terroristen, maar ook medicijnenstudenten en artsen. Er was niets (behalve hijzelf) wat de aanslagpleger in Manchester weerhield van een normale of zelfs heel geslaagde carrière. Zoals premier Theresa May na de jongste gruweldaden in Londen terecht heeft gezegd: de terroristen hebben een ideologie gemeen. Terecht noemde ze die kwaadaardig, maar het is ook een domme ideologie.

Maar hoe dom ook, een ideologie is niet eenvoudig te vernietigen. Voor de hand ligt in elk geval om de buitenlandse financiering van allerlei islamistische activiteiten in het Verenigd Koninkrijk af te snijden. Dat stuit vast op tal van problemen, maar beducht voor de handelsbetrekkingen heeft geen enkele Britse regering zich daar ook maar aan durven wagen.

In plaats daarvan kiezen wij voor ‘creatieve concessies’, zoals een Nederlandse vriend van mij het noemt. De autoriteiten lijken al concessies te doen nog voor iemand ze verlangt. Zo heeft een openbare bibliotheek in Birmingham, een van de grootste die ik ken, tafels voor alleen vrouwen ingericht – een eufemisme voor alleen moslimvrouwen. Of er ooit een verzoek of eis van moslims tot gescheiden zitplaatsen is geweest, valt waarschijnlijk niet meer te achterhalen; de waarheid is bij de overheid meestal ver te zoeken. Maar de rechtvaardiging zou vrijwel zeker zijn dat moslimvrouwen zonder zulke tafels de bibliotheek in het geheel niet zouden kunnen gebruiken.

Dit is niet alleen een plaatselijk probleem. Veel Europese luchthavens richten inmiddels een aparte ruimte voor ‘meditatie’ in. Het pictogram waarmee deze wordt aangegeven heeft vooral iets islamitisch. Ik hoorde van een vriendin die zo’n ruimte binnen was gegaan dat ze van een moslim haar schoenen uit moest doen – oecumene is uiteraard eenrichtingsverkeer.

Van mijn vrouwelijke moslimpatiënten die in Groot-Brittannië waren opgegroeid, hoorde ik dat de schoolinspectie soms jarenlang niet ingreep als hun ouders hen beletten om naar school te gaan. Maar de ouders in blanke arbeidersgezinnen werden juist door die inspectie op de huid gezeten als hun balorige dochters van 15 niet naar school wilden.

Een paar jaar geleden bleek de politie in Rotherham decennialang systematisch voorbij te zijn gegaan aan het massale seksuele kindermisbruik – minstens 1.400 slachtoffers – door moslimmannen. Voor mij kwam dit soort bewuste nalatigheid van de autoriteiten niet als een verrassing. Integendeel, ik had niet anders verwacht.

Voor de terroristen is dit alles natuurlijk een grote geruststelling. Ze krijgen hiermee de indruk dat ze leven in een zwakke samenleving die eenvoudig te vernietigen is, zodat hun daden verre van nihilistisch of zinloos zijn, zoals vaak wordt beweerd. Voor hen is onze samenleving er een van kaarsjes en knuffelberen (zij het wel met geheimzinnige technologische vaardigheden): wij moorden, jullie steken kaarsjes aan. Laatst liep ik nog langs een winkel met knuffelberen, dat wil zeggen een winkel die alleen maar knuffelberen verkocht. Ik weet zeker dat het terrorisme goed voor de zaken is, maar die knuffelberen zijn een grotere geruststelling voor de terroristen dan voor de mensen die ze kopen om bij de plaats van de laatste aanslag neer te leggen.

Nog een bron van geruststelling voor de terroristen is dat de politie na elke nieuwe gruweldaad een aantal verdachte medeplichtigen weet aan te houden. Dit doet vermoeden dat de politie van tevoren de identiteit van de aanslagplegers kende, maar niets heeft gedaan – met andere woorden dat de terroristen meestal ongestraft hun gang kunnen gaan, ook als ze bekend zijn. Eens te meer een blijk van een samenleving die weigert zichzelf serieus te verdedigen.

Dit is niet alleen een Brits probleem. De moord op een politieagent op de Parijse Champs Elysées in april werd gepleegd door een man die al drie politieagenten had proberen te vermoorden, die naar bekend was geradicaliseerd en in wiens huis moordwapens waren gevonden. De autoriteiten wachtten geduldig af totdat hij toesloeg.