Recensie

Liefdevol worstelen met Spinoza

Spinoza (1632-1677)

Reden voor socioloog en jurist Kees Schuyt om zich grondig te verdiepen in filosoof Spinoza was diens begrip conatus, de drang tot zelfbehoud. In zijn boek slaat Schuyt vele zijpaden in.

Baruch Spinoza ca. 1665

Spinoza is één van de weinige filosofen die ook buiten kringen van wijsgeren aantrekkingskracht uitoefent. Voor de receptie van zijn werk lijkt zijn biografie haast even belangrijk als zijn werk. Nog als jongeman werd hij wegens zijn denkbeelden uit de joodse gemeenschap in Amsterdam verbannen. Hij verhuisde naar Rijnsburg en vandaar via Voorburg naar Den Haag. Zijn voormalige woonhuizen zijn musea geworden die worden beheerd door de Vereniging Stichting Het Spinozahuis.

Van 1991 tot 2007 was Kees Schuyt (1943) bestuurslid van deze vereniging naast zijn werkzaamheden als hoogleraar sociologie en lid van de Raad van State. Onlangs verscheen zijn boek Spinoza en de vreugde van het inzicht dat, zoals hij zelf schrijft, ‘het resultaat is van lange jaren van studie van de geschriften van en over Spinoza.’ Hij was daar ooit mee begonnen naar aanleiding van een suggestie dat Spinoza’s begrip conatus, de drang tot zelfbehoud, een grote rol heeft gespeeld bij het overleven in de werkkampen in Sovjet-Rusland en nazi-Duitsland.

Het was dus niet primair uit wijsgerige interesse, maar uit humane overwegingen dat Schuyt Spinoza’s gedachtegoed wilde doorgronden. De bespreking van dit begrip vormt dan ook de spil van het boek. De hieraan voorafgaande hoofdstukken hebben een vaste structuur: telkens bespreekt hij de Werdegang van de werken van Spinoza, waarna hij hun inhoud beschrijft en becommentarieert. De latere hoofdstukken zijn veel essayistischer van karakter.

Voor een boek dat zich uitsluitend richt op het denken van één filosoof ligt het gevaar op de loer dat het de wijsgerige context negeert. Dit geldt zeker voor Spinoza, wiens hoofdwerk de Ethica vaak wordt gelezen als een zelfstandig bouwwerk waarvan de lezer de duistere uitspraken maar moet zien te doorgronden.

Schuyt ontkomt hier niet helemaal aan. Weliswaar gaat hij uitvoerig in op de inhoudelijke relatie met de filosofie van Descartes, zonder wiens werk dat van Spinoza onbegrijpelijk is, maar waar dat werk van Descartes dan weer een reactie op is laat Schuyt onbesproken. Het gevolg is dat zijn uitleg van Spinoza’s cruciale substantiebegrip een worsteling is geworden.

Olifant

Het begrip substantie stond in de Middeleeuwen voor objecten met een identiteit die voortkwam uit hun essentie. Een olifant en een boom zijn substanties: in een stuk materie verschijnt een wezen met de essentiële eigenschappen van een olifant of een boom. Een golf in zee is geen substantie: die is slechts een manier van bestaan van water.

Door de opkomst van de moderne natuurwetenschappen veranderde deze opvatting van wat objecten zijn. Een boom was niet langer een wezen met essentiële eigenschappen, maar een verzameling atomen. Een boom en een olifant zijn verschillende manieren van bestaan van eenzelfde onderliggende soort materie, net als die golf in zee. Vandaar dat Descartes stelde dat er maar één fysieke substantie is.

Het gevolg is dat we niet langer onze zintuigen kunnen vertrouwen. Die boom voor onze ogen is geen boom, maar een verzameling atomen. Op zoek naar de waarheid keert Descartes vertwijfeld zijn geestesoog naar binnen. Daar treft hij gedachten aan en als die er zijn, moet er ook een ik zijn dat die gedachten heeft. Naast materie moet er dus nog een tweede, denkende substantie zijn.

Deze inzichten komen voort uit menselijke tekortkomingen. We vergissen ons, wanneer we zeggen dat we een boom zien. We maken denkfouten. Daarom spoort Descartes ons aan pas met een gedachte in te stemmen, wanneer die even helder en evident is als bijvoorbeeld de stelling dat één plus één twee is. De mens beschikt over een vrije wil, waardoor hij voor de hemelpoort door Petrus verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn doen en laten.

In de menselijke onvolmaaktheid schuilt ook iets groots. Want de mens kan alleen tot het besef van zijn tekortkomingen komen, wanneer hij in zichzelf het begrip heeft van een wezen dat wél volmaakt is. Er moet dan nog een derde substantie zijn, het perfecte zijnde oftewel God.

Hier stopte Descartes. In zijn universum heb je God, een oneindige materiële werkelijkheid en mensen die bestaan uit een lichaam en een geest. Spinoza had de moed Descartes’ filosofie te doordenken. Als objecten verschillende manieren van bestaan van één stoffelijke substantie zijn, dan ligt het voor de hand om gedachten op te vatten als verschillende manieren van bestaan van één geestelijke substantie, een universele geest. Maar als die twee substanties uiteindelijk niets anders zijn dan een reeks eindige dingen, verdienen ze ook niet de naam ‘substantie’. Die is alleen voorbehouden aan een oneindige, volkomen zelfstandige substantie: aan God.

Deze God realiseert in zichzelf alle mogelijke eigenschappen, waaronder materie en geest. God is het algemene wezen van eindige dingen, en bestaat niet anders dan in hen en met hen. God is de natuur. Dit heeft tot gevolg dat God overal is. Een opvatting waarvoor je in de Middeleeuwen op de brandstapel belandde en waarvoor Spinoza uit Amsterdam werd verbannen.

Ook over de vrije wil is Spinoza radicaler dan Descartes, die stelde dat de wil vrij is om in te stemmen met een gedachte. Wat stelt deze wilsvrijheid nou eigenlijk voor? In het geval van één plus één is twee valt er toch eenvoudigweg niets anders te denken? En wat opgaat voor simpele waarheden, geldt voor grote intellecten natuurlijk voor alle waarheden. De zo veelgeprezen vrijheid van de wil wordt ons opgedrongen, omdat wij dom zijn en veel waarheden niet kunnen overzien.

Scherpe kanten

Het is duidelijk dat Spinoza een deterministisch wereldbeeld voorstaat, iets waar Schuyt moeite mee heeft en wat hij zo probeert te interpreteren dat de scherpe kanten er af gaan. Hij verwijst daarbij herhaaldelijk naar neurowetenschappelijk onderzoek over de vrije wil, alsof Spinoza’s filosofie moet worden gelezen als speculatieve wetenschap. Daarmee doet hij hem tekort. Spinoza geeft een inzichtgevende beschrijving van ‘la condition humaine’ en denkt Cartesiaanse beginselen tot hun uiterste consequentie door.

Behalve dat Schuyts uitleg van Spinoza vaak moeizaam en onhelder is, staan er ook nogal wat slordigheden in dit boek. Zo schrijft dat hij dat Henry Moore Wittgenstein suggereerde om zijn boek Tractatus Logico-Philosophicus te noemen. Niet alleen is dit een irrelevant detail, zoals er vele zijpaadjes in dit boek worden bewandeld, maar bovendien klopt het niet. Het was niet de beeldhouwer Henry Moore, maar de ethicus George E. Moore.

Je zou het Schuyt graag vergeven, want dit boek is met heel veel liefde voor Spinoza geschreven. Maar die liefde had zich moeten uiten door een grotere inspanning te leveren: minder gemakzuchtige formuleringen, grotere acribie, controle van alle feitelijke details, zo niet door Schuyt zelf, dan toch zeker door een strenge redacteur op de uitgeverij. Het boek komt nu niet boven het niveau uit van een causerie voor een kring van Spinozisten. Het biedt enthousiasme, maar het verschaft geen helder inzicht.