Recensie

Duitse bariton met strot van velours

Klassiek Met de Staatskapelle Dresden onder Daniel Harding gaf bariton Matthias Goerne een doorleefde uitvoering van Mahlers Kindertotenlieder.

De Duitse bariton Matthias Goerne. Beeld Youtube

Je zou hem de ongekroonde koning van het romantische lied kunnen noemen: de Duitse bariton Matthias Goerne. Gisteren trad hij op in het Concertgebouw, met in zijn kielzog de Sächsische Staatskapelle Dresden onder dirigent Daniel Harding. Op het programma Mahlers macabere Kindertotenlieder, waarmee de componist anno 1904 het lot tartte dat drie jaar later zijn dochtertje Putzi zou treffen.

Goernes strot moet zijn bekleed met zoiets als een laagje hoogwaardig velours. In alle registers baadt zijn stem in een warme gloed. Tel daarbij zijn brede dynamische palet en grote vocale lenigheid en je komt tot een puntgave vertolking van het slotlied In diesem Wetter, waarin Goerne krachtige uithalen afwisselde met een gebalsemde serene klank in de slotmaten. Of neem de meeslepende lezing van het deel Oft denk’ ich, sie sind nur ausgegangen: moeiteloos pendelde Goerne tussen laag en hoog, ondertussen Harding blindelings aanvoelend in elastische fraseringen en subtiele tempofluctuaties.

Expressie

Inmiddels legendarisch is Goernes feilloze gevoel voor tekstexpressie, waarbij hoofd en hart elkaar vinden in een doorleefde maar nooit gedwongen voordracht. Illustratief was onder meer zijn interpretatie van het tweede lied, Nun seh’ ich wohl, warum so dunkle Flammen, waarin hij zowel vertederde herinnering als schrijnend gemis liet doorschemeren in de woorden ‘O Augen’. Of hoe de zanger ter plekke transformeerde in het poëtische personage van een gebroken man die rouwt om zijn gestorven kind.

Met de Staatskapelle Dresden (gisteren voor het eerst sinds 2007 weer in Amsterdam) is iets bijzonders aan de hand. Haar klank is slank en helder, kamermuzikaal bijna, zonder aan kracht en rijkdom in te boeten. Getuige de fel gearticuleerde hoekdelen van Dvoráks Achtste symfonie vol pittige tempi, vinnige ritmiek en welvende motiefstapelingen die Harding niettemin kraakhelder wist te houden.