Dit eet je op het station

Sinds het triangelbroodje is er culinair veel gebeurd op het station. Je kunt er tegenwoordig behoorlijk goed eten – als je weerstand weet te bieden aan de geur van pizza en kaascroissant.

Foto's Arjen Born

U bent zich er misschien niet altijd van bewust, maar als u op een station bent, ervaart u stress. U moet een trein halen. Waar gaat die trein? En hoe laat? Is er nog tijd voor een broodje? U bent zes, zeven minuten op het station. Vier daarvan gaan op aan zoeken en inchecken, dan houdt u nog twee, drie minuten over.

In die zeven minuten maakt u, zonder het te weten, kennis met het werk van Sytze van der Aa. Vanaf het moment dat u de stationshal betreedt, loopt hij met u mee. Kijk, daar kun je koffie halen. Daar verderop verkopen ze pasta die binnen anderhalve minuut klaar is. Terwijl je wacht, valt in de winkel je oog vanzelf op het scherm met vertrektijden. O, nog twee minuten. Dan kun je nog net fruit kopen voor in de trein. Kijk daar, voorin bij Albert Heijn To Go ligt het vooraan in de winkel. Vlak bij de zelfscanner.

Sytze van der Aa is commercieel directeur bij NS Stations. Wat en hoe u eet en drinkt op het station wordt mede door hem bepaald. Van der Aa laat op het nieuwe station Utrecht Centraal zien hoe de reiziger denkt, waaraan hij behoefte heeft en hoe retailers daarop inspelen.

Zijn rondleiding begint aan de kant van het centrum en we overzien het bijna oneindige aanbod aan winkels en horeca. Het station lijkt wel een vreetschuur. Of een foodhal – afhankelijk van je perspectief. En dan zegt hij: „Niemand komt hier om te eten.”

O?

Nee. Niemand komt speciaal naar het station om te eten. „Het eerste doel is reizen. En alles wat hier gebeurt, staat in dienst van dat doel. Wij bieden overzicht en comfort in een stressvolle omgeving.” Daarom is er veel leegte en zijn alle ruimtes open, zie je ook in de winkels schermen met reisinformatie, zijn er nauwelijks uithangborden en letters op de puien te zien en zijn de schappen laag zodat je zicht houdt op het spoor.

Van der Aa spreekt over ‘satisfiers’ en ‘dissatisfiers’ en over ‘wachtverzachters’: „Die maken objectieve wachttijd subjectief.” Goede koffie, lekkere broodjes, wifi, prettige, opgeruimde plekken om te zitten ook als je niets bestelt – dat zijn wachtverzachters.

Caramel Light Frappuccino

De horeca op de stations, niet alleen in Utrecht, is in tien, vijftien jaar onherkenbaar veranderd. Begin deze eeuw waren een fruitshake en een triangelbroodje al heel wat. Koffie was nog geen Caramel Light Frappuccino. Intussen is eten een ‘beleving’ geworden. We verwachten meer dan alleen Smullers en Kiosk. Ze zijn er nog wel, en op kleine stations zijn ze vaak de enige, maar de NS kijkt ook naar de veranderingen in supermarkten en op stations in het buitenland. In Parijs eet je oesters op het station. Hoewel Van der Aa denkt dat dat voor Nederlanders nog een brug te ver is, kun je die op de stations in Den Haag en Amsterdam wel al eten. Tussen de kaassoufflé en de oester heeft het culinaire aanbod op het Nederlandse treinstation een enorme sprong gemaakt.

Van der Aa somt de ‘food trends’ op die je op de grotere stations terugziet. Van gesloten vitrine naar zelf pakken. Zelf je gerecht samenstellen, zoals bij de pasta’s waar je ‘toppings’ bij kiest. Transparantie, dus lage counters en open keukens. Lokaal. In Deventer verkopen mensen van de sociale werkplaats ijs. In Rotterdam kun je Rotterdams banket kopen. En een internationaler aanbod. „Dat hebben we te lang laten liggen.” Daarom ontwikkelde NS zelf een Aziatische formule, met lichte gerechten als spring rolls, salades en soepjes.

Eet mij!

Toegeven: op kleine stations vind je die gezondere restaurantketens niet. En op de grotere, waar ze wel zijn, moet je weerstand bieden aan de geur van kaascroissants en pizza. De stationshal blijft een obesogene plek, zoals voedingsdeskundigen dat noemen. Een plek waar ontsnappen aan calorieën moeilijk is, waar alles roept: eet mij! En die, samen met andere obesi-spots als kantines en winkelstraten, eraan bijdraagt dat de helft van de Nederlanders overgewicht heeft.

Al die fastfood is niet normaal, vindt Walt van der Linden: De stad is een lopend buffet van zout, vet en suiker

Als NS daarop wordt gewezen, wordt Van der Aa altijd een beetje fel. Want ja, per vierkante meter wordt hier veel eten aangeboden, maar niet meer dan op andere ‘high traffic’-plaatsen, zoals luchthavens en winkelcentra. Hij vindt bovendien niet dat NS hoeft te kiezen voor de reiziger, dat kunt u heel goed zelf. Van der Aa gelooft meer in het subtiel toevoegen van gezondere opties.

De groei, zegt hij, zit vooral in brood. En vet verkoopt volgens hem niet beter dan gezond. „Het aanbod creëert de vraag.” Misschien wist u nog niet dat u meer zin had in een vegetarische curry dan in een frikandel speciaal – totdat u er tegenaan loopt.

Het station is een plek geworden waar je best iets langer wilt blijven dan zes, zeven minuten. Het is een plek waar mensen afspreken om koffie te drinken, waar zzp’s zitten te werken. In Utrecht gaan omliggende kantoren er zelfs naartoe voor hun vrijmibo, boven bij Bar Beton. En wie wil, kan in deze foodhal ook af en toe nog een trein nemen.

We vroegen de culinaire schrijvers van NRC, Frank van Dijl, Janneke Vreugdenhil en Petra Possel, om te gaan proeven op het station.

Frank van Dijl: ‘De frikandel hoort bij het station’

„Als ik op een station ben, wil ik er eigenlijk zo snel mogelijk weer uit”, zegt Frank van Dijl. Hij snapt eten op het station niet zo. „Meestal kom je ergens vandaan of ga je ergens naartoe waar het lekkerder is.” En als hij toch iets eet, is het een frikandel met niks. „Zoals ik aan drop denk als ik ga tanken, hoort de frikandel bij het station.” Van Dijl begint wat sceptisch aan zijn rondje Rotterdam Centraal, maar hij moet zeggen: La Place, The Döner Company, de Satebar – het ziet er allemaal best fris uit.

Aan de noordkant zitten de interessantste uitspanningen. The Hen House is een soort verhipsteriseerde KFC, met geüpgraded snacks van Beter Leven-kip als de henburger, hotwings en een halve kip. Het interieur is wit met licht grenen. De henburger (5 euro) komt op een bord, met sla, ui, komkommer en bbq-saus. „Vergeleken met de hamburger die ik gisteren in Frankrijk langs de weg at, is deze geweldig.”

Aan de overkant zit Uit Je Eigen Stad: een restaurant van de gelijknamige stadsboerderij met lokale hapjes en drankjes en een terras aan de straatkant. De salade geitenkaas (8 euro) laat ruim 10 minuten op zich wachten – niet handig op een station. De boterkoek (2 euro) is lekker vet.

Foto Arjen Born

Het station als foodhal valt Van Dijl alleszins mee. Maar als hij de hongerklop krijgt, gaat hij om de hoek eten, bij A Proposito. „Het blijft toch een station, geen gastronomisch eindpunt.”

Janneke Vreugdenhil: ‘Met stoofvlees kan weinig misgaan’

Janneke Vreugdenhil eet zelden op het station. Haar valt op dat het aanbod op Den Haag Centraal groter is dan ze dacht. Boven, uit het zicht, zitten een visrestaurant, een tapasbar en een burgerrestaurant onder de gezamenlijke noemer Grand Central Food Market. Het ziet er gelikt uit. Wel ontbreken op deze middag de gasten, dat wekt weinig vertrouwen. Maar de fish and chips (9,75 euro) is goed warm, vers en niet droog. De doperwtjes met munt erbij zijn lekker knapperig. „Verrassend oké.” Alleen: waarom wordt het in een kistje geserveerd in plaats van op een bord?

Beneden in de hal bestudeert ze het menu van de Indische miniketen Satebar. Rendang met witte rijst en komkommer (6,50 euro) lijkt het ideale treingerecht: lekker oppeppend voor onderweg, en met stoofvlees kan weinig misgaan. Maar de rendang is erg nat, en nogal flauw.

Beter eten we aan de overkant bij Mado. Je ziet het buiten niet meteen, maar het blijkt Turks te zijn. Er zitten ook mensen rustig met vrienden thee te drinken. Specialiteit is het ontbijt (14,95 euro): een groot bord hartige hapjes met als middelpunt een schaaltje pittige omelet. Dat kun je gerust de hele dag eten.

„Maar waarom moeten we, met de korte treinreizen in Nederland, eigenlijk op het station eten?”, vraagt Vreugdenhil zich af. „Of willen we alleen maar eten omdat het ons wordt aangeboden?”

Petra Possel: ‘Als ik vis op ijs zie, word ik gelukkig’

Wat meteen opvalt: hoe de noordkant van Amsterdam Centraal is opgeknapt. Ooit liepen hier prostituees, nu kun je er fruits de mer eten, teppanyaki en schnitzels. Het heeft de luxe uitstraling van een luchthaven. „Maar het is allemaal wel dúúr”, zegt Petra Possel. Je bent al snel 15 euro voor een gerecht kwijt. Possel is niet vies van een vlotte hap, maar ze wordt aangetrokken door de Saltzer Fishbar. „Als ik vis op ijs zie, word ik gelukkig. Maar je ziet, het is leeg, mensen lunchen hier kennelijk niet.”

We kiezen aan de overkant voor een Vietnamese lunchspecial (à 9,90 euro), bij Saigon Càphê. Twee knapperige loempiaatjes en een noedelsoep waaruit de geur van Thaise basilicum opstijgt. „De bouillon is licht, maar lekker. En hij is goed gevuld met kraakverse groente, en veel kip.” Er zitten ook wat Aziaten te eten. „En het personeel is aardig, dat zie je ook niet overal.”

Daarna bestellen we nog twee taco’s bij de Salsa Shop, een Mexicaan waar je zelf je toppings kiest. De stukjes beef en het gestoofde rundvlees zijn goed, er zit een forse dot guacamole bij. „ Het geheel is wel te koud, dat vind ik een redelijk bezwaar.” Maar voor 8 euro heb je wel een volwaardige lunch.

Het station is er culinair onmiskenbaar op vooruitgegaan, misschien iets té, vindt Possel. „Waarom al die restaurants en niet wat meer eenvoudige counters, met goede, foodtruckachtige gerechten? Een geweldige spring roll. Een lekkere bratwurst. Dan eet je sneller en goedkoper.”