Recensie

De lezer krijgt het stevig voor de kiezen

Elizabeth Strout

In dit prachtboek stelt de gelauwerde Strout, wars van sensatie, schaamte, pijn en vernedering aan de orde.

Illustratie Martien ter Veen

Wat een suffe titel, was mijn eerste reactie toen ik Niets is onmogelijk in handen kreeg. De drie woorden zijn ook ongeveer de laatste van het boek (‘alles was mogelijk voor iedereen’), maar tegen de tijd dat ik daaraan toe was resteerde er maar een enkele verzuchting: zelfs in het geografisch beperkte universum dat Elizabeth Strout (1956) creëert, is inderdaad niets onmogelijk.

Een dierbare echtgenoot die op de eerste huwelijksnacht bekent dat hij impotent is, als gevolg van herhaaldelijke verkrachting door zijn stiefvader. Een vrouw die gelaten het geavanceerde voyeurisme (en erger) van haar man gedoogt. Een getroebleerde Vietnamveteraan die zijn bankrekening en huwelijk vergooit aan een prostituee. Een meisje dat haar moeder betrapt tijdens een SM-sessie met haar leraar. Een vader die pas als hij begint te dementeren zijn homoseksuele voorkeuren openbaart. En dat zijn nog niet eens de schokkendste voorvallen.

Welkom terug in Amgash, Illinois, geboorteplaats van de vertelster in Ik heet Lucy Barton, Strouts vorig jaar verschenen succesroman. Een stadje van niks, en Lucy Barton heeft zich er niet voor niets nooit meer laten zien nadat ze in New York een gelauwerde schrijfster is geworden. Maar nu krijgt de lezer de contouren van al die personages die in dat vorige boek alleen in roddelgesprekken tussen Lucy en haar moeder opdoken. En wat een fraaie stoet van karakters is het, die we hier soms als passanten voorbij zien komen, dan weer als onderwerp van een (dikwijls vilein) gesprek, dan weer als hoofdpersoon. Dikwijls getekend door een traumatiserende ervaring of door een afkomst die schaamte, pijn en vernedering met zich meebracht.

Het is niet Strouts doel te laten zien wat er allemaal voor gruwelijks en bizars achter het dagelijkse kleinsteedse leven kan schuilgaan. Juist doordat we de personages telkens vanuit een ander perspectief zien illustreert de schrijfster subtiel en terloops hoe complex zelfs de meest eenvoudig ogende karakters zijn en hoe beperkt de perceptie van mensen om ons heen is.

Dit is een schakelroman zoals ook Strouts met de Pulitzer Prize bekroonde Olive Kitteridge (2009) dat was. Lucy Barton duikt op in bijna alle verhalen, als de beroemde schrijfster wier nieuwe boek in de plaatselijke boekhandel ligt. In roddels, herinneringen, in tv-talkshows. ‘Wat een verbeelding. Ze had een boek geschreven of zo’, zegt de oude Kathy Nicely vol walging. ‘Ze woont in New York. Smork. Kapsones.’

Maar in een van de verhalen (of hoofdstukken – het boek is moeilijk te categoriseren) keert ze terug naar het stadje om haar broer en zuster op te zoeken en dat zorgt voor het meest explosieve deel van Niets is onmogelijk. Het knappe van Ik heet Lucy Barton was wat er allemaal juist niet gezegd werd in die lange gesprekken tussen Lucy en haar liefdeloze moeder. Welnu, het blijkt allemaal nog veel erger te zijn dan daar werd gesuggereerd. Wie al medelijden voelde voor de kinderen Barton na dat vorige boek, krijgt hier nog veel meer voor zijn kiezen in de vorm van uitgewisselde herinneringen, alsmede een heftige confrontatie tussen de zusters die zich langs verbluffende lijnen ontwikkelt en Lucy een paniekaanval bezorgt. Ze realiseert zich met enorme heftigheid dat een fysieke terugkeer naar de plek van haar jeugd veel schokkender is dan een literaire benadering ervan.

Verraderlijk gemakkelijk

Strout geeft de heftige scènes nog meer kracht door ze in te bedden in dagdromen en tedere herinneringen van de personages, en uitingen van affectie. Het is uitzonderlijk knap gedaan. Bij haar dialogen betrap je je telkens op die verraderlijk gemakkelijke indruk: ja, zo praten die mensen echt met elkaar. Verraderlijk, want zo’n constatering wijst dikwijls in de richting van naturalisme, en een al te veel aan naturalisme kan een boek als dit kapotmaken. Maar Strout schrijft zo trefzeker dat die dialogen weliswaar heel naturel overkomen maar soms ook onlogisch zijn, met bizarre wendingen, nooit rechtlijnig, en zonder ooit absurdistisch te worden. Terwijl ze ook precies de functie vervullen die nodig is om het verhaal verder te brengen.

Dit boek en Ik heet Lucy Barton zijn als met een zwaluwstaartverbinding gekoppeld tot één literair meesterwerk. Niets is onmogelijk kan gelezen worden zonder voorkennis, maar zoals de verhalen hier verweven zijn, zo zijn ook beide boeken met elkaar verbonden. Strout schreef ze tegelijkertijd, wetend dat het twee delen zouden worden van één verhaal. Als u Niets is onmogelijk uit hebt, zult u sterk de behoefte voelen de vorige roman te herlezen. En daarna opnieuw dit wondermooie boek ter hand te nemen.