Recensie

‘Als ik niet schrijf, verveel ik me’

H.L. Wesseling Aan de hand van drie verwante personen schreef de Leidse historicus een boek over 19de-eeuws Frankrijk, waardoor je dat land veel beter begrijpt. ‘Die eeuw was de overgang naar de moderne tijd.’ En Macron? ‘Zijn programma kan nooit gerealiseerd worden.’

H.L. Wesseling: ‘Tijdens het bewind van Napoleon III is Parijs geworden zoals het nu is, een stad met ruimte en zichtlijnen’

Eigenlijk is het zijn favoriete periode, die lange Franse negentiende eeuw. Historicus Henk Wesseling zit er dan ook tevreden bij in zijn studeerkamer in Oegstgeest nu zijn Scheffer Renan Psichari. Een Franse cultuur- en familiegeschiedenis 1815-1914 is verschenen. Het is een rijk boek, waarin hij vertelt hoe Frankrijk van een agrarisch land, waar slechts een derde van de bevolking Frans sprak, binnen enkele decennia in een moderne natiestaat veranderde. Ook kun je het als een samenvatting van Wesselings gehele oeuvre zien, vooral omdat je een van zijn hoofdpersonen, Ernest Psichari, al uit zijn proefschrift Soldaat en krijger kent.

„De dingen lopen wonderlijk”, zegt hij. „Ik was bijna afgestudeerd en moest nog een laatste scriptie schrijven. Studenten hikken daar altijd tegenaan. En je kon je hoogleraar niet om een onderwerp vragen, want dan kreeg je het antwoord van Huizinga: ‘Maar meneer, ik kan toch ook geen vrouw voor u uitzoeken.’ Een ouderejaars wees me toen op de schrijver Charles Péguy en het socialisme. Na een paar dagen kwam ik erachter dat daar net een boek over was verschenen. Wel had ik inmiddels ontdekt dat Péguy een vreemde wending had gemaakt van dreyfusard, socialist en pacifist naar militarist, rechtse nationalist en oorlogsverheerlijker. In dat milieu verkeerde ook Psichari. Over hun wereld heb ik toen mijn scriptie geschreven, die ik later zou uitwerken tot mijn dissertatie Soldaat en krijger. Psichari heb ik toen in mijn hart gesloten. Maar daar bleef het bij.”

Vijftig jaar later dook hij weer op.

„Op een gegeven moment kreeg ik tijd voor andere dingen. Zo belandde ik via het nationalisme bij Ernest Renan, de schrijver van Qu’est-ce qu’une nation?. Ook stuitte ik op de schilder Ary Scheffer, omdat ik geïnteresseerd was in zijn vroegere woonhuis, dat een museum was geworden. Ik bedacht toen dat het leuk zou zijn om de draad door te trekken van een onbekende Hollandse schilder die naar Parijs gaat en beroemd wordt, via zijn aangetrouwde, nog beroemdere neef Renan naar diens kleinzoon Psichari, die postuum een held van rechts wordt.

„Het idee zat zo’n dertig jaar in mijn hoofd. Maar uiteindelijk heb ik het in drie jaar geschreven, al ben ik tussendoor ernstig ziek geweest en verkeerde ik op de rand van de dood. Na mijn herstel heb ik me weer aan het werk gezet. Want als ik niet kan schrijven, verveel ik me. Wel heb ik wat zelfplagiaat gepleegd, maar ik heb er noten bij geplaatst om niet strafbaar te zijn.”

Wat me opviel in uw boek is dat eind negentiende eeuw mannen van eenvoudige komaf het heel ver brachten. Zoals premier Thiers. Wanneer begon die ontwikkeling?

„Heel vaak zie je in die tijd dat iemands grootouders boeren waren en de ouders onderwijzers. Hun zoon werd dan hoogleraar. En dat in twee generaties! Allemaal dankzij de leerplicht die in 1882 is ingevoerd. In de strijd tegen de invloed van de kerk stuurde de overheid toen naar ieder dorp een onderwijzer. Elk departement kreeg een kweekschool.

„Er werd enorm tegen die leerplicht gefulmineerd, want in een agrarisch land moet je oogsten en dan heb je iedereen nodig. Desondanks werd de leerplicht drastisch doorgevoerd.”

Was die leerplicht ook essentieel voor de natievorming?

„Niet alleen de leerplicht, maar ook de dienstplicht. Jonge mannen trokken vanuit de dorpen naar garnizoensplaatsen, waar ze in aanraking kwamen met mensen die een ander patois spraken. In het leger kreeg iedereen een rigide Frans opgelegd en werd je ook patriottisme bijgebracht: ‘sterven voor het vaderland’.”

Renan had na de Frans-Duitse oorlog van 1870-’71 grote bewondering voor het nieuwe Duitsland. Dat leverde hem felle kritiek op, omdat veel Fransen minachting hadden voor Duitsland. Waar kwam die minachting vandaan?

„Het was een reactie, omdat de Fransen wisten dat ze in allerlei opzichten niet tegen de Duitsers op konden en ze op de tweede plaats waren komen te staan. Daarom zijn ze de intuïtie gaan verheerlijken, met de filosoof Henri Bergson als frappant voorman. Het was zo van die Duitsers mogen dan wel denken, maar in werkelijkheid draait het om de schouwende, intuïtieve mens, die in één keer datgene herkent wat alles overwint.”

Uw held Ernest Psicharie wilde niets liever dan oorlog.

„Zijn boeken waren in 1916 een sensatie: in een paar maanden tijd werden er 80.000 van verkocht. Nu zijn ze vergeten. Terecht, want ze zijn buitengewoon saai. Psichari brak met alles. Hij komt uit een academisch milieu van dreyfusards, maar wordt beroepsmilitair. Niet eens als officier, maar als gewoon soldaat, en niet in het Franse leger, maar in de koloniën. Hij is vernoemd naar zijn grootvader Renan, die voor de katholieken de grote vijand was en door zijn anti-Jezusboek zijn leerstoel kwijtraakte. En juist die kleinzoon doet alles precies andersom. Hij wordt gelovig, treedt toe tot de derde orde – een lekenorde waar je wel bepaalde geloften moet afleggen – en studeert theologie omdat hij priester wil worden. Het is de totale anticlimax van die grootvader en die vader.”

Hoe kon het leger zo’n conservatieve, monarchistische instelling worden?

„De verrechtsing van het leger begint in de Derde Republiek (1870-1940). Merkwaardig genoeg was voor 1870 links militaristisch, omdat het opkwam voor de soldaten van Napoleon, die zo hadden genoten van het napoleontisch avontuur. Napoleon was een held van links. Rechts zag het leger als een gevaar dat Napoleon terug zou kunnen roepen en de monarchie omver kon werpen.

„De dienstplicht was aanvankelijk zo georganiseerd dat rechtse Fransen die dankzij het remplaçantenstelsel konden afkopen. Maar toen in de Derde Republiek, die in 1870 begon, de republikeinen zowel de macht als de hoge ambten overnamen, konden rechtse Fransen alleen nog carrière maken in het leger. Zo werd het leger een zaak van rechts, met de Dreyfus-affaire als hoogtepunt.”

Ary Scheffer was daarentegen links.

„Links in verhouding tot zijn tijd. Hij was een fel tegenstander van de Restauratie en nam deel aan complotten tegen Lodewijk XVIII en Karel X.”

Hoe werd hij een society-schilder?

„Zijn leermeester Guérain had hem een baan bezorgd als tekenleraar van de kinderen van de hertog van Orléans, de latere koning Louis-Philippe. Van hem kreeg Scheffer veel opdrachten, onder meer voor zijn museum in Versailles. In kringen rondom het hof wilden ze toen ook schilderijen van zijn hand.”

Als president Louis Napoleon in 1852 een staatsgreep pleegt en zich tot keizer Napoleon III laat kronen, trekt Scheffer zich uit protest terug uit het sociale leven. Waarom?

„Omdat hij die staatsgreep als verraad beschouwde. Dat gold ook voor Victor Hugo, die toen emigreerde.

„De overwinning van Louis Napoleon in de presidentsverkiezingen van 1848 is trouwens iets onbegrijpelijks. Hij kreeg tachtig procent van de stemmen, alleen op grond van zijn naam en de glorie van zijn oom, Napoleon Bonaparte. De half miljoen Fransen die gesneuveld waren, was iedereen ineens vergeten ten gunste van het gevoel van Frankrijk als land dat de wereld had beheerst. ”

U schrijft dat Napoleon III een slechte reputatie geniet. Maar tegelijkertijd was hij een modernisator. Hoe kan dat?

„In wezen was Napoleon III een liberaal en een Saint-Simonien. Wij beschouwen Saint-Simon als een utopist, maar hij had in die tijd in brede kringen invloed.

„Zijn theorie was dat het heil van de industrie moest komen. Er werd zelfs een nieuwe Marseillaise gemaakt met de tekst ‘Allons enfants de l’industrie’. Ondernemers raakten sterk beïnvloed door zijn idee dat werkende mensen de kans moesten krijgen om zelf te ondernemen. Napoleon III dacht er net zo over. Hij schreef als eerste een boek over armoedebestrijding en was in die zin progressief.

„Maar als iets eindigt in een échec, wordt het gekenmerkt door een échec. Terwijl Napoleon III in werkelijkheid enorm veel gedaan heeft aan de aanleg van een spoorwegnet en van kanalen. Tijdens zijn bewind is Parijs geworden zoals het binnen zijn muren nog steeds is, een stad met ruimte en zichtlijnen.”

Waardoor denk je door uw boek ook het huidige Frankrijk beter te snappen?

„De negentiende eeuw is de overgangsperiode naar de moderne tijd. Al is er in het Frankrijk van nu iets raars aan de hand, omdat de politieke strijd ineens niet meer wordt gevoerd tussen links en rechts. Tweehonderd jaar lang was dat wel zo. Hoogstens verschilden de kwesties waarover het ging. Eerst was dat de staatsvorm: links was voor de republiek, rechts voor de monarchie. Toen speelde de strijd tussen kerk en staat, die in 1905 resulteerde in de wettelijke scheiding van die twee, waardoor tot op vandaag de dag in openbare gebouwen niets op religie mag wijzen. En daarna ging het over sociaal-economische factoren, met links dat voor de armen opkwam en rechts voor de rijken.

„Die kwestie van de scheiding van kerk en staat moet je wel kennen als je de huidige hysterie over de hoofddoekjes wilt snappen, want die rijt de oude wond van de strijd tegen de kerk weer open. Vergeet niet dat onder premier Combes geestelijken die onderwijs gaven met geweld het land werden uitgezet. Frankrijk raakte toen totaal verdeeld.”

En wat is er nu dan aan de hand?

„De afgelopen presidentsverkiezingen vormen een breuk in de Franse geschiedenis. Wat er nu gebeurt met Macron is niet eerder voorgekomen. Het heeft natuurlijk ook met toeval te maken. Als Hollande niet zo’n krachteloze president was geweest en achterop een scooter met een helm op naar zijn tweede maîtresse was gereden en Fillon niet in die schandalen was verwikkeld, hadden we gewoon Hollande tegen Fillon gehad, links tegen rechts.

„Maar met Macron is voor het eerst een liberaal – het meest gehate woord in Frankrijk – aan de macht. Terwijl het hele politieke stelsel er altijd op gericht is geweest het centrum te vermorzelen. En nu krijg je een liberale president met een programma dat nooit gerealiseerd kan worden. In de parlementsverkiezingen van 11 en 18 juni is het ondenkbaar dat hij een meerderheid behaalt, wat betekent dat hij geen wetgeving tot stand kan brengen en belastinginkomsten misloopt.

„Voor het eerst in al die jaren bestaat er grote onzekerheid. Al ben ik enorm opgelucht dat Le Pen geen president is geworden, want dat zou het einde van Europa hebben betekend.”