Vmbo laag? Je leert er tenminste wel een vak

Onderwijs

Leerlingen zijn er niet trots op, als ze op het vmbo een praktijkopleiding volgen. Maar wat is er eigenlijk mis mee? „Ik heb hier zoveel geleerd.”

Het Da Vinci College in Roosendaal zit in een imposant gebouw, waar leerlingen zich gewaardeerd moeten voelen. „Als een kind naar het vakonderwijs mag, zou het blij mogen worden en trots mogen zijn.” Foto’s Katrijn van Giel

„Kijk, na een jaar staan die glazen nog steeds op tafel en ook de takjes zijn niet geknakt. Er is niets vernield”, zegt Joseph Dekkers, directeur van het Da Vinci College, een school voor praktijkonderwijs en vmbo-praktijkrichtingen (basis- en kaderberoepsgericht) in Roosendaal. Dekkers wijst op sierflessen en vazen op tafels.

Het nieuwe gebouw voor 900 leerlingen is een trotse, witte onderwijstempel, ingedeeld in zes praktijkstudiehuizen om een grote agora. Alle leerlingen zijn met hun leraren verantwoordelijk voor het proper houden van hun eigen afdeling, waar alleen zij mogen komen. Maar ook de gemeenschappelijke agora is smetteloos.

Bouwvakkers, vijf jaar geleden nog massaal ontslagen, zijn nu weer hard nodig.

Het imposante gebouw had volgens Dekkers „ook een universiteit kunnen zijn”; leerlingen moeten zich er gewaardeerd voelen. Dat is nodig, want de vmbo-praktijkopleidingen worden als het „laagst” gezien in het onderwijs, voor leerlingen die niets anders zouden kunnen. Ten onrechte krijgen volgens Dekkers de vmbo-praktijkleerlingen de boodschap dat ze er niet toe doen. „Op de basisschool speelt dat al tussen kinderen onderling – ‘jij kunt niet leren’. Hun cijfers zijn te laag en daarom zouden ze ‘maar’ een beroepsopleiding doen. Het gaat om ruim 20 procent van alle leerlingen.

Ging voorheen tweederde na de basisschool naar het vmbo, tegenwoordig is dat nauwelijks meer dan de helft. En wie dan het vmbo kiest, volgt de theoretische of de gemengde leerweg – met algemeen vormende vakken.

Maar nu de economie zich herstelt, wil het bedrijfsleven juist wel weer mensen die gericht zijn opgeleid voor een vak. Bouwvakkers, vijf jaar geleden nog massaal ontslagen, zijn nu weer hard nodig.

Hoog en laag

Het aantal leerlingen dat een praktijkgerichte vmbo-opleiding volgt, is sinds 2004 met ruim een kwart achteruitgegaan, tot 75.000 nu. Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, VVD) gaat inventariseren of alle regio’s nog wel voldoende vakopleidingen hebben. Sommige zullen waarschijnlijk moeten fuseren om in stand te kunnen blijven.

Paul Rosenmöller, voorzitter van de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs (VO-raad) breekt een lans voor het vakonderwijs. Tegen het AD zei hij pas nog: „We moeten afscheid nemen van begrippen als hoog- en laagopgeleid. Ik kan jaloers zijn als iemand een auto kan repareren, want dat kan ik niet.”

Die boodschap is ook te horen bij Ton Heerts van de MBO Raad (middelbaar beroepsonderwijs) en bij bestuurders in de bouw, de metaal, de zorg en andere sectoren. Ook Dekker zei onlangs zoiets in de Tweede Kamer: „Het is een misverstand dat algemeen vormend leren de best mogelijke weg is tot een goede positie op de arbeidsmarkt. Als een kind naar het vakonderwijs mag, zou het blij mogen worden en trots mogen zijn.”

Werken met je handen

Toch is de werkelijkheid anders. Vmbo’ers zijn meestal niet trots, zeggen hun docenten. De gebouwen waar ze les krijgen zijn zelden zo mooi als het Da Vinci College. En de angst van ouders en scholieren voor ‘werken met je handen’ maakt het schooladvies zo’n beetje het spannendste moment op de basisschool.

Lisette van den Beld, leerlingbegeleider op het vmbo, uitte onlangs op Facebook haar frustratie over die onderwaardering. Ze kreeg massaal bijval. „Leerlingen die uitstromen naar het vmbo zijn vrijwel altijd de leerlingen in de klas met de laagste cijfers, het langzaamste begrip en de slechtste werkstukken. Eenmaal bij ons op school beginnen de leerlingen pas te groeien. [...] Help deze groep leerlingen ook eens door hun prestaties in beeld te brengen!”, schreef ze.

Van den Beld vindt het triest als kinderen twee jaar op hun tenen lopen op havo of mavo/vmbo-t (theoretische leerweg) om dan op een praktische vmbo-opleiding te belanden. „Ouders merken een ontzettend opwaartse druk naar hoger, hoger. Kinderen wordt soms een te hoog niveau vervolgonderwijs geadviseerd, en dat is slecht voor het zelfbeeld.”

Maar de drempel bestaat, weet Van den Beld. Laatst zei een moeder tegen haar: „Ik heb liever niet dat mijn kind bij u op school komt, want dat is toch een beetje de zelfkant van de maatschappij.”

Roosendaal, Da Vincicollege, een technische school. Foto Katrijn van Giel

Vrije scholen

De angst dat kinderen verkeerd terechtkomen is groot onder ouders. In de vrije school, die antroposofische methoden gebruikt voor vorming van lichaam en geest, vinden veel hoogopgeleide ouders een uitweg als hun kind te laag scoort voor vwo/havo. Die ouders worden aangesproken door de gezamenlijke brugklassen, het accent op creatieve en ambachtelijke vakken en geestelijke vorming.

Vrije scholen hebben minder te maken met de problemen van achterstandswijken. Vooral in de grote steden en in het basisonderwijs zijn ze in opmars, en ze zijn allang niet meer exclusief antroposofisch. Van de 93 vrije scholen bieden er achttien middelbaar onderwijs, inclusief vmbo. In de Rotterdamse wijk Katendrecht is zelfs een vrijeschoolafdeling in oprichting voor alleen vmbo basis- en kaderberoeps, de eerste in het land. Dit najaar beginnen er twee klassen.

Als je een lepel of een bewegend stuk speelgoed moet maken uit een blok hout, kom je jezelf tegen.

Oprichters Michael Zoutendijk en Rinske Kreukniet, verbonden aan het Rudolf Steinercollege in Rotterdam, gaan op die nieuwe afdeling werken. Volgens hen is de vrije school, met haar nadruk op ‘het ambacht’, voor praktijk-vmbo gemaakt. „Het onderwijsconcept gaat uit van gebruik van het hoofd, het hart en de handen”, zegt Kreukniet. „Er is elke dag aandacht voor een ambachtelijk vak, ook bij de theoretische leerweg. Dat kan zijn tuinieren, keramiek, hout- of metaalbewerking, textiel of koken met zelf verbouwde groente.”

Volgens Zoutendijk kan je een ambacht leren ontdekken door het te beoefenen. „Als je een lepel of een bewegend stuk speelgoed moet maken uit een blok hout, kom je jezelf tegen.”

Leren door doen – directeur Dekkers van het Da Vinci College is er een groot voorstander van. „Via de praktijk kan ik leerlingen ook op hun gedrag aanspreken en normbesef bijbrengen. Als ze in hun werkkleding staan, kan ik ze gemakkelijker zeggen dat ze zich minder grof moeten uitdrukken, ook al zijn ze dat thuis gewend.”

Elk van de zes ‘studiehuizen’ in Roosendaal heeft zijn eigen apparatuur. Dat maakt praktijkonderwijs relatief duur. Voor de toekomstige bouwvakkers en monteurs staan er draaibanken, houtzaagmachines, lasapparaten en allerlei elektronica. Aspirant-zorgverleners oefenen met tilliften voor ouderen, medische apparaten, industriële fornuizen, haardrogers.

De leerlingen die zich bekwamen in ouderenzorg moeten ook activiteiten leren organiseren. Zo bakken ze deze woensdag zoete en hartige taartjes voor een high tea. Ina Sporkslede, bezig met taartbodems, hoopt uiteindelijk verpleegkundige in een ziekenhuis te worden.

Asmae Azaoum weet nog niet wat ze wil gaan doen. Er kan zoveel in de zorg, EHBO, kinderen, ouderen. Eerst wilde ze administratief werk gaan doen of iets in de ict, „maar die capaciteit heb ik niet”, zegt ze. „Ik heb hier zoveel geleerd. Bijvoorbeeld hoe een wasmachine werkt. Ik wist niet wat die allemaal kon.” Zorg en welzijn beschouwt ze als een veilige basis voor later. Als het haar bijvoorbeeld niet lukt om kapper te worden, kan ze daar op terugvallen.

Hongerig en dorstig

Op de begane grond is de praktijkopleiding voor leerlingen die geen basiskwalificatie kunnen halen. De bedoeling is dat ze tot hun achttiende praktisch werk doen, bijvoorbeeld met metaal en hout, om op hun 18de via een stage in een baan terecht te komen. Op hun afdeling staat een auto op een brug, een leerling buigt een metalen plaat in een machine. In deze periode moet er vaak worden gepauzeerd, omdat veel leerlingen hongerig en dorstig zijn door de ramadan.

Dekkers: „Als je deze leerlingen nu niet helpt, moet er over tien jaar een veel groter probleem worden opgelost. Dan staat een leger aan dure psychologen, orthopedagogen en hulpverleners klaar om hen weer op het juiste pad te krijgen.”