Pivo’s moeten op de Hudo

Ewoud Sanders

MAFKETEL. Deze donderdag wordt de voormalige FBI-directeur James Comey, de man die door president Trump werd ontslagen, gehoord door een commissie. Tegen Russische diplomaten zei Trump, kort na het ontslag, dat Comey „a real nut job„ was, wat in het Nederlands werd vertaald met mafkees en mafketel. Dit leidde tot vragen van lezers over de herkomst van deze woorden, een geschiedenis die nog niet in kaart is gebracht.

Bij mijn weten begon het in de jaren dertig van de 20ste eeuw met het woord mafkuiken voor ‘sufferd’, naar het voorbeeld van sufkuiken. Mafkuiken is in 1935 opgetekend in Polletje Piekhaar, een meesterlijk boek van de Rotterdamse schrijver Willem van Iependaal, in de verzuchting: „Wat ben jij voor een hopeloos mafkuike?!”

Vervolgens werden er allerlei nieuwe samenstellingen met maf- gevormd, een woord dat in de jaren vijftig en vooral in de jaren zestig in Nederland in de jeugdtaal in de mode kwam.

Ik noem er hier een paar, in volgorde van opkomst. Mafkees: in 1953 gebruikt voor ‘nozem’ in het dagblad De Tijd. Mafketel: in 1964 bij herhaling gebruikt in Ik Jan Cremer, zoals in deze zinnen: „Toulouse Lautrec, jeweetwel die kleine mafketel met die kromme poten”; „hij was volslagen mafketeliaans” en „de mafketeltjes die er prat op gingen verslaafd te zijn”. Mafkikkers: in 1967 door het dagblad Het Vrije Volk gebruikt voor acteurs. Mafklappers: in 1976 door de Leeuwarder Courant gebruikt voor suffe flatbewoners. In de jaren daarna volgden onder meer mafkont, mafkoker en mafkut.

BENT U GOED? Op een terrasje werd mij afgelopen weekend gevraagd: „Wilt u nog iets bestellen of bent u goed?” De serveerster was een Nederlandse vrouw van een jaar of dertig. Ik had kunnen antwoorden: „Nee, ik wil niks meer bestellen” maar in plaats daarvan zei ik: „Nee bedankt, ik ben goed.”

Onder invloed van het Engels kom je goed vaker in deze context tegen, vooral onder jongeren, zo bleek bij navraag (in het Engels kun je vragen „Are you good?” en antwoorden „I’m good”). Een veelvoorkomende horecavraag is bijvoorbeeld: „Wil je nog iets, of zit je goed?” Het is vrij gebruikelijk om te antwoorden met: „Nee, ik zit wel goed” of: „Ik ben wel goed.” Ik zal dit zelf niet snel meer zeggen. Voor mij betekent „ik ben goed” iets heel anders en als je dat over jezelf zegt klink je vooral onbescheiden.

TAALLIJSTJES. Onlangs riep ik op om taallijstjes of taaltoptiens in te sturen. Ze blijven welkom op post@ewoudsanders.nl. Hier enkele afkortingen uit de padvinderij, zoals ingestuurd door een lezer. PIVO = Pioniers en Voortrekkers; PL = Patrouille-leider; APL = Assistent Patrouille-leider; HK = HoofdKwartier, blokhut, home, honk van een scoutinggroep; HUDO = primitief zelfgemaakt buitentoilet bij kamperen, staat voor ‘Houd Uw Darmen Open’; NEBOS = alternatief voor de HUDO voor een kleine boodschap, betekent ‘Neem Een Boom Of Struik’ of ‘Nier en Blaas Ook Schoon’.

Er kwamen ook veel ergernissen binnen, zoals deze, van een arts: „Ik erger me aan media die schrijven ‘de omstanders waren in shock’ als ze ‘geschokt’ bedoelen. Shock is het voorportaal van de dood, een medische toestand van een falende circulatie met, onbehandeld, uiteindelijk dodelijke schade aan weefsels en organen.”

schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders