Moordende jongeren, dat is niet uitzonderlijk

Criminoloog en forensisch psycholoog Marieke Liem

Circa tien moorden per jaar worden gepleegd door een minderjarige. „Hun aandeel is in de afgelopen decennia nauwelijks veranderd.”

De vindplaats van de fiets van de veertienjarige Savannah Dekker uit Bunschoten. De fiets werd een dag na de verdwijning van het meisje gevonden, in de buurt van een bushalte. Remko de Waal / ANP

Een jongen van veertien die wordt verdacht van misbruik van en moord op Romy, een meisje van veertien. Een jongen van zestien die wordt verdacht van moord op Savannah, ook een meisje van veertien. En dat in een paar dagen tijd. Is dit niet extreem uitzonderlijk? „Niet echt”, zegt Marieke Liem. „Het extreem uitzonderlijke is dat de gebeurtenissen zo dicht op elkaar zitten, en ook nog in dezelfde omgeving. Dan denk je al snel: dat kan geen toeval zijn, er moet meer aan de hand zijn. Maar dat hoeft helemaal niet.”

En een trend omhoog is het ook niet, zegt ze. Marieke Liem, criminoloog en forensisch psycholoog, werkt aan de Universiteit Leiden, waar ze onderzoek doet naar moord en doodslag, ook onder minderjarigen. „We zitten in Nederland nu ongeveer op 130 moorden per jaar. Daarvan worden er zo’n tien gepleegd door minderjarigen tussen de twaalf en de achttien. Hun aandeel is in de afgelopen decennia nauwelijks veranderd.” De cijfers voor andere West-Europese landen zijn vergelijkbaar, zegt ze. Het aantal moorden lag in Nederland rond 2000 op 250 per jaar.

Veel van die tien daders per jaar, bijna altijd jongens, pleegden het misdrijf in groepsverband, en vaak in het uitgaanscircuit. Liem geeft het voorbeeld van de 17-jarige Etienne de Boer, die in maart 2012 in het ziekenhuis overleed nadat de 16-jarige Ricardo hem op de kermis in Hoorn had neergestoken. Ricardo kreeg zeven maanden jeugddetentie. Ander voorbeeld: de 18-jarige Oussama Tinkebdaoui die in april 2016 in Den Haag na een ruzie werd neergestoken door de 15-jarige Deniz. Die kreeg tien maanden jeugddetentie en voorwaardelijke jeugd-tbs.

In het geval van Savannah en Romy, zegt Liem, zijn we geneigd te kijken naar de jeugdige leeftijd van de daders en de slachtoffers. „Maar we zouden ook aan partnerdoding kunnen denken. En dan doet de leeftijd er niet zoveel toe. Dan zijn het motief en de relatie tussen de dader en het slachtoffer belangrijker.” Het motief bij partnerdoding is bijna altijd krenking, jaloezie, angst voor verlating, bezitsdrang: ‘als ze niet van mij is, dan ook niet van een ander’.

Verschuiving van geweld

Een relatie kan ook tot stand zijn gekomen via de sociale media, zoals bij Savannah. Bij haar lijkt het erop dat ze een afspraak had met de verdachte, en ze zou met hem verbleven hebben op een onbekend adres. Wordt de kans op fataal geweld onder jongeren groter onder invloed van internet? Liem: „Daar zijn verschillende theorieën over. De ene zegt: internet heeft een dempende werking, omdat jongeren meer binnen zitten met hun computer of hun telefoon en minder op straat zijn, waar ze elkaar fysiek tegenkomen. Een andere theorie zegt dat door internet de kans op geweld juist groter wordt. Er is meer contact, ook met mensen die je niet echt kent, ver buiten je gewone vriendenkring. Een meisje uit Bunschoten dat een afspraak maakt met een jongen uit Den Bosch, dat kwam vroeger veel minder voor.” Een voorbeeld is de moord op Winsie Hau uit Arnhem in januari 2012. Na een uit de hand gelopen ruzie op Facebook werd de moord in opdracht uitgevoerd door de 14-jarige Jinhua uit Capelle aan den IJssel.

Internet leidt volgens Liem niet zozeer tot een toename van geweld, eerder tot een verschuiving.

Kinderen die moorden doen dat relatief vaak binnen het gezin. En dan is er minder ophef over, zegt Liem, omdat het voor de buitenwereld minder angstaanjagend is. Ze geeft het voorbeeld van de 17-jarige gymnasiast Derck die in oktober 2010 zijn moeder doodde met een hockeystick. Derck kreeg zes maanden jeugddetentie en jeugd-tbs.