Recensie

Wie waren de eerste bewoners van Nederland?

Nederlandse Prehistorie In een magistraal boek is te volgen hoe duizenden jaren geleden ijsvlakten plaatsmaakten voor bossen, en uiteindelijk voor akkers.

Illustratie Tjarko van der Pol

De berken komen! De onweerstaanbare bomenopmars komt uit het zuiden, als na de Laatste IJstijd de temperaturen stijgen. Het is een van de grote magische momenten in de Nederlandse prehistorie. Vrijwel geen mens was er getuige van, twaalfduizend jaar geleden, en toch, vanuit menselijk oogpunt is dit voor Nederland het meest dramatische moment in de laatste veertigduizend jaar: ontluikende loofbossen op een plek die tienduizenden jaren een levenloze droge ijswoestijn was, ingeklemd tussen gletsjer-uitlopers in Engeland en Noord-Duitsland.

De komst van de bomen is het definitieve signaal dat hier te lande weer nieuw en groots leven mogelijk is. Roerloos had Nederland eeuwen onder een zanderige poolwind gelegen, verlaten, geen mens, geen dier, geen planten.

Het nieuwe woud met zijn zwijnen, oerrunderen en herten trekt menselijke jagers. De eerste Nederlanders, en evident geen autochtonen. Verder zuidelijk en oostelijk verdwijnen de IJstijdtoendra’s met hun overvloed aan mammoeten, rendieren, paarden. De jagers moeten anders gaan leven. Hun gebied wordt groter. De grote leegte in het noordwesten, waaronder Nederland, raakt eindelijk bevolkt.

Het boek ademt een fascinatie voor de geheimzinnige, naamloze mensen uit het eerste verleden, van wie zo weinig is teruggevonden

De komst van gulle begroeiing in een voorheen ijskoud land is één van de bijzondere momenten die de grootmeester van de Nederlandse archeologie, Leendert Louwe Kooijmans (1940) beschrijft in een nieuw en magistraal prehistorieboek. Deze Leidse emeritus-hoogleraar schetst met een koelbloedige kennis van zaken de oudste voorgeschiedenis van Nederland in kleine details én in grote lijnen – de weerslag van een leven vol onderzoek en colleges. Het boek ademt een fascinatie voor die geheimzinnige, naamloze mensen uit dit eerste verleden, van wie zo weinig is teruggevonden.

Geslachte dieren

Louwe Kooijmans heeft er een meeslepende zoektocht van gemaakt en treedt soms diep in de details van opgravingen. Die uiteenzettingen vertragen soms het verhaal, maar de details zijn nodig om te begrijpen waarom veel conclusies over het leven in de prehistorie zo behoedzaam moeten zijn. Er zijn prachtige rekenmodellen om uit de leeftijd van geslachte dieren af te leiden of deze als vee zijn gehouden of als wild zijn bejaagd. Maar teruggevonden botten leveren zelden een helder signaal op. Misschien dit, mogelijk dat.

Archeologie is detective-werk, omdat zeker jagers-verzamelaars weinig sporen achterlieten. De gaten in de Nederlandse archeologie compenseert Louwe Kooijmans soepel met materiaal uit verwante streken. Dat kan prima in dit Europa zonder lokale Alleingang. De jagersgroepen zwierven over een dun bevolkt continent en vertoonden weinig onderlinge verschillen. Of het nu gaat om de typische slanke pijlspitsen, de jachttechnieken van de vroege Ahrensburgcultuur of de vreemde bandkeramische gaatjespotten waarmee 7.000 jaar later de eerste Europese boeren in Noord-Polen kaas maakten, met iets meer geluk hadden we die ook wel in Nederland kunnen vinden.

De streken waar wij nu wonen krijgen bij Louwe Kooijmans kleur omdat ze eerst worden aangeraakt door Neanderthalers in de periode vóór 40.000 jaar geleden, en daarna door de grote wonderen die moderne mensen naar Europa brengen, met hun rotstekeningen en grootse symboliek. Vervolgens maakt ‘Nederland’ deel uit van de simpele, maar buitengewoon doeltreffende West-Europese mesolithische jagerscultuur. De mensen van ‘na het ijs’, die hun doden met meer zorg begraven dan ooit te voren, wier werktuigen uit meer losse stukjes bestaan dan ooit tevoren en die beter vissen weten te vangen dan ooit te voren.

Rotsschilderingen

De komst van de berken en andere bomen was het afscheid van wat Louwe Kooijmans ‘de uitbundige overvloed van uitbeeldingen van de rijke mythologie uit het Jong-Paleolithicum’ noemt. Dat waren de IJstijdmensen, met hun intense rotsschilderingen van vooral dieren, ‘voorzien van geestkracht’, en nog altijd inspirerende verbeeldingen van nooit meer te achterhalen mythologieën en symbolen.

Illustratie Tjarko van der Pol

In het Mesolithicum, na circa 10.000 jaar v.Chr., is dat afgelopen. De nieuwe jagers ‘komen bij ons over als eenvoudige jagers, met weinig opsmuk’, schrijft Louwe Kooijmans. De mensen lijken minder kunstzinnig, maar in wezen is de cultuur veranderd. Op de paar mesolithische tekeningen, teruggevonden op ingekraste stenen, staan veel vaker algemeen menselijke afbeeldingen dan voorheen.

Ook nieuw zijn de ‘zoemstenen’, waarvan er een bij Tilburg is gevonden: ovaal van vorm en met een gaatje waar een touw door kan. Waarschijnlijk waren ze bedoeld als ‘snorrebotten’: draai ze snel om je heen en ze gaan brommen en zoemen, een mogelijk ritueel instrument. En meer dan in de IJstijd speelde voorouderverering een grote rol. Het nieuwe verschijnsel van het grafveld, dat generaties lang gebruikt werd, wijst daar op.

Meestal eindigen overzichtsboeken over de Nederlandse prehistorie met de komst van de Romeinen en hun schrift, tegen het jaar nul. Maar Louwe Kooijmans legt een andere grens, ruim 3000 jaar eerder. Hij houdt op bij de landbouw. Hij vertelt de hele aanloop ernaartoe, maar als rond 3.400 jaar v.Chr. héél Nederland aan landbouw doet en de jagers-verzamelaars zijn verdwenen – 6.500 jaar na de berken – stopt zijn verhaal. Jammer, maar begrijpelijk. Omdat dan ‘Nederland en de Nederlandse samenleving als zodanig vorm krijgen en geen anoniem deel meer zijn van een wijd en uitgestrekt deel van de grote ruimte’, aldus Louwe Kooijmans. Het gebied dat nu Nederland is, gaat zich dan onderscheiden van de buren – ongetwijfeld door de groeiende bevolking die de landbouw teweegbrengt.

De totale landbouw

Met die totale landbouw begint ook echt iets nieuws. Alleen al in bevolkingsdichtheid. Tussen IJstijd en eerste landbouwers hebben hier nooit meer dan een- à tweeduizend mensen tegelijk gewoond: eerst rondtrekkende jagers en uiteindelijk ook vissers langs de rivieren. Pas als de eerste landbouwers zich in kleine dorpjes in Zuid-Limburg vestigen, gaat die bevolking groeien: alleen daar wonen dan al duizend mensen. Maar in heel Nederland leven dan nog steeds minder mensen dan er nu alleen al op Terschelling wonen. In de echte landbouwtijd, tot de komst van de Romeinen, groeide de bevolking in het huidige koninkrijksgebied van vijf- naar tachtigduizend mensen.

In Nederland leven dan nog steeds minder mensen dan nu in paar lange intercitytreinen passen

Voor het landschap was de verandering van IJstijd naar Mesolithicum adembenemend, maar wat mentaliteit en levenswijze betreft is deze tweede omslag het grootst. De revolutie begint in Nederland aarzelend rond 5.300 v.Chr. met een paar Bandkeramiek-dorpjes in Zuid-Limburg. Het is de meest westelijke fase van een vrij snelle emigrantengolf van boeren uit het Donaugebied. Slechts driehonderd jaar eerder was daar een nieuwe cultuur ontstaan te midden van boerenkolonisten uit Griekenland, een eerste expansie uit het Midden-Oosten.

In de nattere gebieden ten noorden van de Donau werden de boerenhuizen groter en steviger. Er ontstond typerend aardewerk, dat de naam gaf aan dit volk.

Steeds meer geweld

Aan het einde van het vijfde millennium v.Chr. raakte deze Bandkeramiek-cultuur in een diepe crisis, de boeren gebruikten onderling steeds meer geweld. Aanwijzingen daarvoor zijn de indrukwekkende grachten en palissades die ze om hun dorpen bouwden. Ook zijn uit deze late Bandkeramiek-tijd veel massagraven gevonden, met tientallen, soms honderden lichamen, met ingeslagen schedels, afgehakte armen en benen. In zijn verhaal over het graf in het Oostenrijkse Asparn-Schletz (ca. 5.000 v.Chr), met zo’n tweehonderd in stukken gehakte lichamen, kan Louwe Kooijmans het niet laten om op te merken: een mooi bewijs dat Bandkeramische dorpen echt wel enkele honderden inwoners kunnen tellen ‘meer dan de uitkomst van de meeste berekeningen’. Een archeoloog moet nu eenmaal zijn gegevens overal vandaan halen. In het vijfde millennium v. Chr. valt de Bandkeramiek uiteen in regionale culturen.

Maar voordat héél Nederland aan de landbouw is, ontwikkelde zich hier en in Noord-Duitsland nog een vrij unieke mengvorm van lokale jagers-verzamelaars die óók aan veeteelt gingen doen en zelfs een beetje graan verbouwden. Naar hun eerste vindplaats heet dit de ‘Swifterbant’-cultuur (ca. 4.500 v.Chr).

Op de valreep van Kooijmans’ verhaal treedt Nederland dus toch een beetje uit de anonimiteit die het al die tijd heeft gekenmerkt. Vrijwel alle andere landbouw in Europa is toe te schrijven aan kolonisten die uit het Midden-Oosten komen, met een snelheid van een paar kilometer per jaar. Trager dan nu, maar een vorm van globalisme was het zeker.

Trechtbekermensen

De Swifterbanters gaan op in de Trechterbekercultuur die rond 3.400 v.Chr. Nederland bereikt, een late opvolger van de Bandkeramiekers. De Trechtbekermensen zijn beroemd geworden om hun grote stenen monumenten en grafkamers, zoals de hunebedden in Drenthe.

Een cruciale vraag is: waar komt die alles meeslepende landbouw vandaan, waardoor al die mesolithische jagers met DNA en al vrijwel totaal verdwenen uit het landschap, behalve dan in ‘onze’ Swifterbant-cultuur. Waarom gingen mensen graan planten en oogsten, vee verzorgen en melken en met zijn allen in grote dorpen wonen, in plaats van jagen, verzamelen en in kleine groepjes rondtrekken? Daartoe moet Louwe Kooijmans weer terug naar het einde van de IJstijd maar dan in het Midden-Oosten, want daar begon de landbouw. Deze excursie beslaat (inclusief de lange boerenmigratie naar West-Europa) bijna de helft van zijn boek.

Linzen en geiten

In het Midden-Oosten begint het 10 à 12.000 jaar geleden met tarwe, linzen en kikkererwten, en met schapen, geiten en runderen. Maar niet alleen daar. Het proces speelt zich onafhankelijk op zo’n zes plaatsen op de wereld af. In China (gierst, rijst, varkens en kippen), maar ook in Midden-Amerika (maïs, pompoen, fleskalebas en maniok) en Afrika (runderen en sorghum). Waarom allemaal tegelijk, en waarom niet in eerdere periodes tussen de ijstijden, toen het ook warmer werd en er toch ook al slimme mensen bestonden?

Louwe Kooijmans wijst erop dat ons huidige interglaciaal uitzonderlijk stabiel is, een belangrijk verschil. Die parallelle ontwikkeling op vier geïsoleerde continenten sluit ook uit dat de landbouw voortkomt uit één toevallige geniale ontdekking. Het oude idee dat landbouw ontstond in verdroging na de IJstijd, toen mens, dier en planten gedwongen dicht op elkaar gingen leven in ‘oases’, is ook onzin. Want het werd helemaal niet droger na de IJstijd. En de ‘biertheorie’ – landbouw ontstond omdat leiders hun gezag toonden met grote feesten op basis van uit graan gebrouwen bier – is feestelijk, maar niet erg aannemelijk. In de cruciale begintijd waren er nog geen grote leiders en er was ook nog geen bier. Maar met die biertheorie werd in de jaren negentig wel een cruciale stap gezet in de theorievorming: waarschijnlijk was er een sociale noodzaak om de stap naar landbouw te zetten.

Samengevat is dit Louwe Kooijmans’ meest waarschijnlijk ontstaansscenario: door het betere en groeizamere klimaat na de IJstijd kregen jagers de mogelijkheid langer op één plek te blijven wonen, soms zelfs verschillende generaties lang. En dat leidde tot intensiever verzamelen van gemakkelijk te bewaren zaden als noodzakelijke voorraad, op een schaal die rondtrekkende jagers nooit nodig hadden gehad. Die voorraadvorming leidde tot meer aandacht voor de wilde gewassen, die steeds beter verzorgd werden totdat uiteindelijk volledige landbouw ontstond, met aparte akkers, met zaaien, oogsten en dorsen. Keihard moest de mens voortaan op zijn akkers werken, maar de groep kon bijeen blijven. En oneindig groeien.