Iran betaalt de prijs voor interventie in Irak en Syrië

Aanslagen Teheran Aan de steun van Iran voor de regimes in Irak en Syrië kleven meer gevaren dan velen in het land zich tot dusverre bewust waren.

Agenten redden een kind uit het parlementsgebouw in Teheran, tijdens de aanval op het gebouw. Foto Omid Vahabzadeh/AFP

Eigenlijk is het verrassend dat Islamitische Staat niet eerder grote terroristische aanslagen in Iran heeft uitgevoerd. Zowel in Irak als in Syrië spelen de Iraniërs immers de laatste jaren een belangrijke rol in de strijd tegen IS en andere radicale opstandelingen. Bovendien beschouwt IS het shi’itische Iran als een land van afvalligen, die maar beter dood dan levend kunnen zijn.

Woensdagochtend gebeurde het dan toch, met een dubbele aanslag op twee plaatsen die van groot symbolisch belang zijn voor Iran: het parlement en het mausoleum van imam Khomeiny, de grondlegger van het huidige Iraanse staatsbestel met zijn doorslaggevende stem voor de opperste religieuze leider.

De aanslagen, die naast de daders aan zeker 17 mensen het leven kostten, brachten de Iraanse leiders in acute verlegenheid. Hadden zij hun land de afgelopen jaren immers niet afgeschilderd als een oase van rust in een verder zo turbulente regio? En hadden ze bovendien niet steeds betoogd dat de grootschalige Iraanse interventie in Irak en Syrië nodig was om de terreur buiten de deur te houden? Nu leken critici van dit beleid die juist het tegenovergestelde beweerden alsnog gelijk te krijgen.

De opperste geestelijke leider Ali Khamenei hield vast aan de oude lijn. „Als Iran de terroristen niet had aangepakt, waar de kern van deze ordeverstoring ligt, zou het in eigen land meer aanslagen te verduren hebben gekregen”, zei hij. De aanslagen in Teheran zelf deed hij af als „vuurwerk”, waardoor de Iraniërs zich niet van de kook zouden laten brengen.

Het probleem voor de Iraanse leiding is echter ernstiger dan Khamenei het deed voorkomen. Veel Iraniërs moeten niets hebben van de geldverslindende Iraanse interventie in de oorlogen in Syrië en Irak. In Syrië alleen al hebben de Iraniërs duizend man verloren, al ging het daarbij deels om Afghaanse huurlingen. „Mij bevalt die hulp aan Syrië niet”, zei Fazlali Rasoli, een gepensioneerde man in een arme zuidelijke wijk van Teheran onlangs tegen deze krant.

„Laten onze leiders het geld liever in Iran zelf besteden. Er zijn hier genoeg armen en werklozen.”

In eerste instantie probeerde de Iraanse Revolutionaire Garde woensdag Irans aartsrivaal Saoedi-Arabië de schuld in de schoenen te schuiven voor de aanslagen. Ook veel gewone Iraanse burgers wezen in die richting. Maar van Saoedische betrokkenheid is tot dusver niets gebleken.

Wel werd snel duidelijk dat IS wel degelijk achter de aanslagen zat, zoals de beweging enkele uren later al had geclaimd. IS publiceerde onder meer een korte video over de aanslagen.

Donderdag maakten de autoriteiten bekend dat de daders tot IS behoorden. Ze waren afkomstig uit Iran en vijf van hen hadden meegevochten met IS bij Mosul en bij Raqqa. In augustus vorig jaar zouden ze naar Iran zijn teruggekeerd onder leiding van vooraanstaand IS-lid Abu Aisha. Vervolgens zag de Iraanse inlichtingendienst, die al vaker infiltranten onschadelijk heeft weten te maken, kans Abu Aisha te doden en het ontkiemende netwerk deels op te rollen. Maar de vijf wisten destijds te ontkomen.