Cultuur

Interview

Walter Herfst

Het dak op in Rotterdam

De stad van boven

Zaterdag en zondag kunnen Rotterdammers zeventien daken bezoeken. „We betrekken de daken bij de openbare ruimte.”

Koorddansers balanceren zaterdag tussen de Lijnbaanflats, op het dak van Gebouw De Heuvel aan het Grotekerkplein wordt zaterdagavond na zonsondergang de iftar-maaltijd geserveerd en zondagochtend is het yoga geblazen op het dak van de Doelen. Het stadsleven speelt zich dit weekend af op hoog niveau.

„Rotterdam heeft een vierkante kilometer aan plat dak in het centrum alleen al,” zegt Léon van Geest, als programmadirecteur samen met initiatiefnemer Joep Klabbers de drijvende kracht achter de Rotterdamse Dakendagen. „Dat zijn 150 voetbalvelden vol grind en airco’s. Wij willen die daken betrekken bij de openbare ruimte. Ons idee is dat de stad er beter van wordt als je de daken gebruikt.”

Met een ‘dakpas’ van 5 euro kunnen Rotterdammers zaterdag en zondag zeventien daken bezoeken. In eerste instantie om kennis te maken met die „te gekke tweede laag van de stad. Het is tof om die te gebruiken,” zegt Van Geest. Daken kunnen worden ingezet voor groen, waterberging, voedselproductie, energieopwekking, evenementen en recreatie. Met opengestelde daken, een kennisdag, speciale optredens, tours, rooftop table dinners en een camping op het dak van een winkelcentrum bieden de Rotterdamse Dakendagen een nieuw perspectief op de stad. Met Léon van Geest klommen we bij sommige daken alvast naar boven.

Codarts (foto boven)

Voor het bezoek aan het dak van Codarts, de hogeschool voor muziek, dans en circus aan het Kruisplein, gelden restricties: 16 jaar of ouder, plat stabiel schoeisel, geen hoogtevrees, niet onder invloed van alcohol. Daaraan kunnen we voldoen, maar als we ons melden aan de receptie wordt ons nog eens voorgehouden: op de tegels blijven en niet struikelen. Er staan nog geen hekken, vandaar.

Langs zoemende apparatuur die het klimaat in het gebouw beheerst komen we op het dak. Rechts van ons priemt de Millenniumtoren de lucht in, links de toren van Calypso. Léon van Geest, programmadirecteur van de Dakendagen, waait bijna uit zijn jasje als hij naar de Lijnbaanflats wijst. „Op die flat daar is de theetuin waarin de bewoners dit weekend thee schenken. En daar lopen straks de koorddansers.” Onder ons ligt het groene dak van de Doelen dat op straatniveau door het gebouw van Codarts (2000) aan het oog wordt onttrokken.

„Na zeventien jaar moet het dak worden vernieuwd,” zegt Van Geest. „Er is een plan om te investeren in de verduurzaming van het gebied rond het Schouwburgplein, daar wordt het dak van Codarts in meegenomen. Zoals je ziet gebeurt er nu niets. Een dak met grind. Het zou mooi zijn als in de toekomst hier studenten concerten of voorstellingen kunnen geven. Als je om je heen kijkt, zie je veel plat dak. Zonde om daar niets mee te doen.’’

De plannen voor het dak van Codarts worden gecoördineerd door 7 Square Endeavour, een internationaal samenwerkings- en verduurzamingsproject dat het Schouwburgplein ziet als proeftuin voor nieuwe innovatieve technologieën, cyclische processen en businessmodellen. Zeven pleinen wereldwijd worden op soortgelijke manier aangepakt.

Het Witte Huis

Walter Herfst

De entree van het Witte Huis heeft weinig dat de hedendaagse bezoeker nog kan imponeren. Een halletje met marmeren vloer, een glazen tussendeur, een smal trappenhuis en twee liften. Een van de twee brengt ons traag naar de tiende verdieping, de hoogste. Dan een smalle trap naar boven, een gewone deur naar de omloop buiten, nog één stalen trapje naar het platform en we staan op het dak. Nadat het in 1898 aan de Geldersekade zijn deuren opende, was het Witte Huis met zijn 43 meter enige tijd het hoogste kantoorgebouw van Europa.

Maar zelfs op die hoogte is het niet het gebouw waarop we staan dat ons de adem beneemt. Dat is het uitzicht op de stad van nu met zijn torens (sommige meer dan drie keer hoger dan het Witte Huis) en de rivier met zijn ongenaakbare bocht. We zien de markt op de Binnenrotte die met zijn witte kraamzeilen langs de Laurenskerk kabbelt, in de verte de gouden engel van het stadhuis tegen de achtergrond van de spiegelpaleizen aan het Weena, dichterbij de Markthal met zijn Bokito-schouders, het Potlood en de kubuswoningen.

Vier fiere Rotterdamse vlaggen wapperen op de hoeken van het platform waarop we staan; het zal niet groter zijn dan vijf meter in het vierkant. Het is omgeven door een dun hekwerk van gietijzer. „Vóór de oorlog was dit een ware attractie,” zegt programmadirecteur Léon van Geest, van de Dakendagen. „Dat uitzicht. Daar had je wel een dubbeltje voor over. Maar eerst ging je met de lift naar boven: dat was al een attractie op zich.”

Het Witte Huis overleefde het bombardement doordat de architect qua constructie het zekere voor het onzekere had genomen: het gebouw van 20 bij 20 meter rust op duizend palen van zestien meter lang en de dragende muren zijn anderhalve meter dik.

Didden Village

Walter Herfst

Als we de Beatrijsstraat in fietsen, ontwaren we Gies van de Kamp al door het venster in de blauwe borstwering van Didden Village, boven op het dak van het naaiatelier uit 1918. Hier liet de RET zijn uniforms maken. Van de Kamp en haar man Sjoerd Didden vestigden zich in 1995 op dit adres. Het pand was ideaal voor de pruikenmakerij die heel filmend en theatermakend Nederland (en niet alleen Nederland) van de gewenste haardos voorzag. Op de bovenste, geheel opengewerkte verdieping woonde het gezin, de kinderen sliepen in een tuinhuisje in een hoek van de ruimte.

Maar de kinderen werden groot en ze wilden meer privacy. Naar ontwerp van architect Winy Maas (die later de Markthal bouwde) werden op het platte dak van het gebouw drie huisjes neergezet, ieder huisje een slaapkamer. Ze zijn vanuit de woonkamer bereikbaar via zwevende wenteltrappen. De huisjes vormen samen een minidorp, compleet met pleintje, straatjes en steegjes en wat meer is: alles is geschilderd in een opvallende kleur blauw die sterk contrasteert met de bebouwing in de omgeving, maar soms als het ware oplost tegen de blauwe lucht.

Het is overal – onder onze voeten, opzij van ons, boven ons – en hoewel het een egale kleur blauw is, ervaar je een verbazingwekkende variëteit aan tinten

We beklimmen een van de wenteltrappen en komen uit in een slaapkamer. De deuren zijn rood aan de binnenkant, ook alweer een fel contrast met het blauw dat ons volkomen omgeeft als we eenmaal buiten staan. Het is overal – onder onze voeten, opzij van ons, boven ons – en hoewel het een egale kleur blauw is, ervaar je een verbazingwekkende variëteit aan tinten. Het blauw werkt vervreemdend.

„Het komt voor dat er Japanse toeristen voor de deur staan die het huis willen zien,” zegt Gies van de Kamp, „maar daar is geen beginnen aan.” Ze beperkt de openstelling van het dakdorp tot de Rotterdamse Dakendagen. Een van de blauwe huisjes doet dan dienst als ‘snackloket’.

De Bijenkorf

Walter Herfst

Het warenhuis stelt de hele maand juni zijn dak open voor publiek

Lot Defoort van De Bijenkorf poetst nog even een vuiltje weg op een van de borden die uitleg geven over de beeldentuin op het dak. Er komt heel wat bij kijken als je het dak van een warenhuis openstelt voor het publiek. Veiligheid is niet de minste van de zorgen. Er zijn hekken geplaatst en er is een wandelpad uitgezet.

Alle zaterdagen en zondagen van de maand juni (dus niet alleen tijdens de Rotterdamse Dakendagen) is het dak toegankelijk voor bezoekers: je meldt je even terzijde van de kookafdeling op de derde verdieping.

In het trappenhuis foto’s met de oude Bijenkorf van Dudok, bij het bombardement zwaar beschadigd, en de nieuwe Bijenkorf van de Amerikaanse architect Marcel Breuer aan de Coolsingel. Het gebouw viert dit jaar zijn zestigste verjaardag. Ook een kleine uitvoering van De verwoeste stad van Zadkine springt in het oog.

„Het beroemde beeld was in 1953 een anonieme schenking aan de stad,” zegt programmadirecteur van de Dakendagen Léon van Geest. „Niemand wist dat het De Bijenkorf was die de schenking heeft gedaan. Dat werd pas zo’n twintig jaar na dato bekend.”

Op het dak staan nu andere beelden die met het bombardement zijn verbonden. Kort na 14 mei 1940 werden kunstenaars ingeschakeld om de troosteloze leegte van de stad voor zover mogelijk op te vrolijken. In de winter van 1940-1941 werden acht sculpturen geplaatst op de Coolsingel; later raakten ze verspreid over de stad, sommige raakten zoek. De zeven die werden teruggevonden staan nu op het dak van De Bijenkorf. Ze stellen de architect voor die de stad weer moet opbouwen en de arbeiders die dat met hun handen hebben gedaan, maar er is ook een vrouw die met haar kind de brandende stad ontvlucht. De nieuwe stad spiegelt zich in het groen van de Beurstoren.